ECLI:NL:OGHACMB:2025:295

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
SXM2025H00032
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Ltu
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering tijdelijke verblijfsvergunning voor arbeid wegens onvoldoende middelen

Appellante, met de Dominicaanse nationaliteit, had een tijdelijke verblijfsvergunning als directrice van een bedrijf, geldig tot 15 augustus 2022. Haar verzoek tot verlenging werd door de minister afgewezen omdat zij niet voldeed aan het middelenvereiste en de aanvraag niet naar waarheid was ingevuld.

Het Gerecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende objectieve gegevens over haar inkomen had verstrekt ondanks voldoende gelegenheid daartoe. De beperkte geldigheidsduur van de eerdere vergunning werd als risico van appellante beschouwd.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de korte geldigheidsduur haar bedrijfsactiviteiten belemmerde, maar het Hof oordeelde dat dit gegeven voor haar risico komt en dat de minister haar ook na afloop van de vergunning gelegenheid gaf aanvullende stukken te overleggen.

Het Hof bevestigde daarom de uitspraak van het Gerecht en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de tijdelijke verblijfsvergunning bevestigd.

Uitspraak

SXM2025H00032
Datum uitspraak: 3 december 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 24 maart 2025 in zaak nr. SXM202401225-LAR00120/2024, in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 1 september 2023, uitgereikt op 1 november 2023, heeft de minister de aanvraag van appellante om een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid als directrice, afgewezen.
Bij beschikking van 11 september 2024 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante, vertegenwoordigd door dhr. E.I. Maduro, hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toestemming van partijen.

Overwegingen

Appellante heeft de Dominicaanse nationaliteit. Bij beschikking van 29 juli 2021 heeft de minister aan haar een vergunning verleend tot tijdelijk verblijf, met als doel arbeid als directrice van het bedrijf [bedrijfsnaam]. Deze verblijfsvergunning was geldig tot 15 augustus 2022. Appellante is statutair directeur van dat bedrijf, dat sinds 29 mei 2018 is ingeschreven in het handelsregister van Sint Maarten.
Op 13 augustus 2022 heeft appellante verzocht om verlenging van haar vergunning tot tijdelijk verblijf. De minister heeft deze aanvraag afgewezen bij de bestreden beschikking, onder verwijzing naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu). De minister heeft twee redenen ten grondslag gelegd aan de weigering. Ten eerste heeft hij appellante tegengeworpen dat zij niet heeft aangetoond dat ze over voldoende middelen van bestaan beschikt, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ltu. Ten tweede heeft de minister de vergunning geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, omdat appellante de aanvraag niet naar waarheid heeft ingevuld. Deze weigeringsgrond is neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu.
Het Gerecht heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daartoe alleen overwogen dat de minister terecht heeft tegengeworpen dat appellante niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan het middelenvereiste. Het Gerecht heeft daarbij kort gezegd in aanmerking genomen dat appellante heeft nagelaten haar inkomen met objectieve gegevens te onderbouwen en daarbij betrokken dat de minister haar voldoende gelegenheid heeft geboden ontbrekende informatie en ontbrekende documenten te overleggen. Dat de geldigheidsduur van de vergunning tot tijdelijk verblijf van appellante bij verlening ten onrechte is beperkt, zoals zij stelt, komt volgens het Gerecht voor haar risico. Bovendien had zij een rechtsmiddel kunnen instellen tegen de ingangsdatum van deze vergunning, aldus het Gerecht.
In hoger beroep voert appellante opnieuw aan dat zij door de korte duur van de aan haar afgegeven verblijfsvergunning niet in staat was haar bedrijfsactiviteiten op gang te brengen en de doelstelling van haar bedrijf te realiseren. Ook kon zij op korte termijn niet de beschikking krijgen over een bankrekening.
Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de eerder aan appellante verleende vergunning een beperkte geldigheidsduur had. Dat is een gegeven waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan. De gevolgen van die korte geldigheidsduur komen voor risico van appellante. Bovendien heeft de minister appellante ook na het verlopen van de geldigheidsduur van haar vergunning nog in de gelegenheid gesteld stukken met betrekking tot haar inkomen over te leggen, zoals het Gerecht met juistheid heeft overwogen.
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de minister de vergunning tot tijdelijk verblijf mocht weigeren. Dit betekent dat het Gerecht het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.