ECLI:NL:OGHACMB:2025:283

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
SXM2025H00041
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 EVRMArtikel 3 KinderrechtenverdragArtikel 91 Landsverordening toelating en uitzetting Sint MaartenHoofdstuk 4 Richtlijnen minister van Justitie Sint MaartenMinisteriële beschikking april 2021 Richtlijnen Landsverordening toelating en uitzetting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking verblijfsvergunning gezinsvorming wegens onvoldoende belangenafweging

Appellanten, een moeder en haar minderjarige kind, vroegen een vergunning tot tijdelijk verblijf op Sint Maarten met als doel gezinsvorming. De minister wees de aanvragen af vanwege het te late indienen, veertien jaar na de eerste toelating van de vader, en het niet voldoen aan de beleidsrichtlijnen. Het Gerecht verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking.

In hoger beroep betoogden appellanten dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de precaire humanitaire situatie in Haïti, waar het gezin woont, en met het belang van het minderjarige kind, waaronder toegang tot onderwijs. Het Hof oordeelde dat het Gerecht terecht het beleid inzake termijnoverschrijding toepaste, maar dat het Gerecht en de minister onvoldoende gewicht hadden toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van het kind en de humanitaire situatie.

Het Hof stelde dat de belangenafweging niet evenwichtig was omdat de precaire leefomstandigheden van het kind en het feit dat de vader nu aan het middelenvereiste voldoet, niet waren betrokken. Daarom vernietigde het Hof de uitspraak van het Gerecht voor zover deze de rechtsgevolgen in stand liet en beval de minister binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen waarbij alle relevante belangen worden meegewogen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van het Gerecht en beveelt de minister een nieuwe belangenafweging te maken waarbij het belang van het kind en de humanitaire situatie worden betrokken.

Uitspraak

SXM2025H00041
Datum uitspraak: 26 november 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[moeder] en [vader], wonend in Haïti en Sint Maarten, mede voor hun minderjarige kind [naam],
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 28 april 2025 in zaak nr. SXM202301144, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Justitie

Procesverloop

Bij beschikkingen van 19 oktober 2022 en 29 november 2022, uitgereikt op 22 december 2022, heeft de minister de aanvragen van moeder (appellante) en haar kind om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinsvorming, afgewezen.
Bij beschikking van 8 september 2023 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 28 april 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 8 september 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 oktober 2025. Vader was aanwezig, vergezeld door mr. A. Richardson, advocaat. De minister werd vertegenwoordigd door mr. C.M. Marica, advocaat.

Overwegingen

Inleiding
1. Vader (appellant), van Haïtiaanse nationaliteit, verblijft sinds 7 januari 2008 met een geldige verblijfstitel in Sint Maarten. Hij is op 6 december 2003 in Haïti getrouwd met appellante, eveneens van Haïtiaanse nationaliteit. Van 2004 tot 2009 verbleven zij samen in Sint Maarten, waar hun oudste twee kinderen zijn geboren. In 2009 is appellante met deze twee kinderen uitgezet naar Haïti omdat zij geen geldige verblijfstitel hadden. Op 31 januari 2013 is appellante te Haïti bevallen van het minderjarige kind. Op 30 juni 2022 heeft zij met de drie kinderen aanvragen ingediend voor verblijf bij hun vader en echtgenoot.
1.1.
Het hoger beroep gaat alleen over de aanvraag van appellante en het minderjarige kind.
1.2.
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De uitspraak van het Gerecht
2. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de aanvragen zijn ingediend op 30 juni 2022, veertien jaar na de eerste toelating van appellant in 2008. Dat is te laat volgens hoofdstuk 4 van de Richtlijnen met betrekking tot de toepassing van de Landsverordening toelating en uitzetting en het Toelatingsbesluit (hierna: de Richtlijnen) op grond waarvan de aanvraag om gezinshereniging binnen een jaar na de eigen toelating moet worden ingediend. Het Gerecht heeft dat beleid niet onredelijk geacht. Volgens het Gerecht stelt de minister zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunningen.
Naar aanleiding van het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM heeft het Gerecht overwogen dat de bestreden beschikking er niet toe strekt appellante en het minderjarige kind een verblijfsrecht te ontnemen dat hen tot het beleven van het familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde, zodat van een inmenging zoals bedoeld in die verdragsbepaling geen sprake is. Daarbij wijst het Gerecht erop dat artikel 8 van Pro het EVRM voor verweerder geen algemene verplichting meebrengt om de domiciliekeuze van echtparen te eerbiedigen of gezinshereniging op zijn grondgebied mogelijk te maken. Voorts is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven voor de minister een positieve verplichting voortvloeit om appellante en het minderjarige kind een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen, hoewel zij daarvoor volgens het gevoerde beleid niet in aanmerking komen. Appellante en het minderjarige kind verblijven al (bijna) hun hele leven op Haïti en de kinderen zijn daar opgegroeid en geworteld. Mede gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het beleven van het familie- of gezinsleven in Haïti, het land van herkomst. De humanitaire situatie in Haïti en in het bijzonder de toestand in de wijk Cité de Soleil waar appellante en het minderjarige kind wonen, leveren voor het Gerecht geen grond op voor een ander oordeel. Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen aanleiding zijn om een andersoortige verblijfsvergunning af te geven, maar nu dit pas in de bezwaarfase naar voren is gebracht, kon de grondslag van de aanvragen niet meer gewijzigd worden.
Het betoog in hoger beroep
3. Appellante betoogt dat zij en het minderjarige kind al langere tijd verblijf op Sint Maarten beogen maar geen verblijfsvergunningen konden krijgen omdat appellant tot voor kort niet voldeed aan het middelenvereiste. Verder voeren zij aan dat appellant in Sint Maarten woont en werkt om zo te kunnen voorzien in het levensonderhoud van de andere gezinsleden in Haïti. Zij hebben structureel contact gehouden en hij bezocht hen minimaal eens per jaar, totdat de situatie in Haïti escaleerde. De wijk waar het gezin woont is inmiddels grotendeels ingenomen door rebellengroepen. Het gezin woont in twee kleine kamers van een woning waarvan de benedenverdieping verwoest is en die maar beperkt toegang tot water heeft. Voor sanitaire voorzieningen zijn zij aangewezen op hun buren. Daarnaast zijn de scholen gesloten en functioneren openbare diensten nauwelijks. Volgens hen kan onder deze omstandigheden niet worden verwacht dat zij het gezinsleven in Haïti uitoefenen. Ook wijzen zij op artikel 3 van Pro het Kinderrechtenverdrag en betogen zij dat het minderjarige kind in Sint Maarten wel toegang tot het onderwijs zal hebben. Volgens hen is het Gerecht eraan voorbij gegaan dat de minister deze elementen niet kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Dat geldt volgens hen ook voor de integratie van appellant in Sint Maarten en de eerdere samenwoning. De minister heeft ten onrechte vastgehouden aan de termijn voor indiening van de aanvraag, zonder materieel aan artikel 8 van Pro het EVRM te toetsen, aldus appellanten. Tot slot betwisten zij het oordeel van het Gerecht dat het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard gezien moet worden als een beroep op een andere zelfstandige verblijfsgrond. Volgens hen mochten zij van de minister verwachten dat hij de concrete humanitaire situatie waarin appellante en het minderjarige kind verkeren in Haïti, zou meewegen in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, te meer omdat zij dit hebben onderbouwd met foto’s en verwijzingen naar openbare bronnen.
Beoordeling
4. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat omdat de aanvragen van appellante en het minderjarige kind veertien jaren na toekenning van het eerste verblijfsrecht aan appellant zijn gedaan, het bepaalde in hoofdstuk 4 van de Richtlijnen aan verlening van de gevraagde vergunningen in de weg staat. De omstandigheid dat appellant pas in 2022 voldeed aan het bij gezinshereniging geldende middelenvereiste en dat appellante en het minderjarige kind al eerder verblijf op Sint Maarten beoogden maar daar door het ontbreken van voldoende middelen van bestaan geen kansrijke aanvraag voor in konden dienen, hoefde voor de minister geen grond voor afwijking van de Richtlijnen op te leveren, gelet op de lange duur van het verblijf van appellante en het minderjarige kind in het land van herkomst en de wijze waarop het gezinsleven in die periode vorm heeft gekregen.
4.1.
Het Gerecht heeft eveneens terecht geoordeeld dat er tussen appellant enerzijds en appellante en het minderjarige kind anderzijds sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Gelet hierop hoeft het ter zitting gedane beroep op de uitspraak van het EHRM van 1 december 2005, nummer 60665/00, ECLI:CE:ECHR:2005:1201JUD006066500, Tuquabo-Tekle en anderen tegen Nederland, geen verdere bespreking. Het Gerecht heeft vervolgens, omdat het gaat om een eerste toelating, terecht onderzocht of sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat uit het recht op bescherming van het familieleven een positieve verplichting voortvloeit appellante en het minderjarige kind in afwijking van het door de minister gevoerde beleid verblijf toe te staan. Gelet op de uitspraak van het EHRM van 3 oktober 2014, nummer 12738/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, Jeunesse tegen Nederland, heeft het Gerecht terecht in de afweging tussen het belang van appellanten en het belang van de minister betrokken dat appellante nauwe banden heeft met Haïti, waar zij vrijwel haar hele leven heeft gewoond en het minderjarige kind zijn hele leven. Appellante heeft weliswaar ook enkele jaren op Sint Maarten gewoond, maar zonder geldige verblijfstitel en ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking was dit meer dan tien jaar geleden. Van banden met Sint Maarten is daarom geen sprake. Het gezinsleven heeft sinds terugkeer op Haïti vorm gekregen in bezoeken van appellant aan Haïti en het maandelijks overmaken van geld.
4.2.
Anders dan vereist ingevolge genoemde uitspraak inzake Jeunesse en bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 4 juli 2023, nummers 13258/18, 15500/18, 57303/18 en 9078/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0704JUD001325818, B.F. en anderen tegen Zwitserland, zijn in de afweging echter niet
the best interests of the childbetrokken
.Het Hof onderschrijft de overweging in punt 119 van deze laatste uitspraak dat: “
While the best interests of the child cannot be a "trumpcard” which requires the admission of all children who would be better off living in a Contracting State, the domestic courts must place the best interests of the child at the heart of their considerations and attach crucial weight to it”.In dat licht zal in dit geval ook gewicht moeten worden toegekend aan de gevolgen die het minderjarige kind, ten behoeve van wie samen met zijn moeder toelating voor verblijf bij zijn vader op Sint Maarten is verzocht, als minderjarig kind ondervindt van de slechte algemene situatie in Haïti én de specifiek op hem betrekking hebbende leefomstandigheden die hij in hoger beroep heeft aangevoerd (vgl. onder 3). Deze worden gekenmerkt door politieke instabiliteit en het afnemen en inmiddels geheel afwezig zijn van centraal overheidsgezag. Dit heeft grote invloed op de leefomstandigheden van de bevolking waaronder de voedselsituatie en de beschikbaarheid van levensbehoeften als schoon drinkwater, onderwijs en gezondheidszorg. In de bezwaarfase is namens appellanten voorts documentatie overgelegd van NGO's waaronder Human Rights Watch en het Rode Kruis waaruit onder andere blijkt dat bendes een groot deel van Port-au-Prince beheersen, waaronder de wijk Cité de Soleil waar appellante en het minderjarige kind woonachtig zijn, en dat die bendes zich daar ongehinderd schuldig maken aan geweldpleging, verkrachting en diefstal. Door geweldpleging is naar is gesteld de woning waar appellante en het minderjarige kind verblijven beschadigd waardoor zij alleen nog op de bovenverdieping kunnen verblijven en voor sanitaire voorzieningen zijn aangewezen op de buren. Het minderjarige kind kan hierdoor niet naar school. Zijn persoonlijke leefomstandigheden en ook die van appellante zijn daarmee precair. Niet in geschil is verder dat appellant inmiddels aan het ingevolge de Richtlijn voor gezinshereniging geldende inkomensvereiste voldoet en de onderhavige aanvraag heeft ingediend zodra dit het geval was. Deze twee aspecten, de precaire leefsituatie van het minderjarige kind en zijn persoonlijke situatie en het feit dat appellant voldoet aan het middelenvereiste zodat zijn toelating en die van appellante geen kosten ten laste van de openbare kas zullen opleveren, zijn door het Gerecht niet in de belangenafweging betrokken. Daarmee is die naar het oordeel van het Hof niet evenwichtig.
4.3.
De minister zal worden opgedragen om een nieuwe beschikking op het bezwaar van appellante en het minderjarige kind te nemen en de hiervoor genoemde zwaarwegende belangen te betrekken bij de te maken afweging. Daarbij kan de minister tevens betrekken, voor zover bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk, belangen gemoeid met de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (artikel 8, tweede lid, van het EVRM). Van belang is dat de minister alle relevante belangen betrekt bij zijn afweging. Om die reden wordt de te nemen beschikking op bezwaar - indien daartegen beroep wordt ingesteld - door de rechter indringend getoetst op de vraag of de relevante belangen zijn afgewogen. Wat betreft de uitkomst van die afweging is de toetsing meer terughoudend vanwege het in de rechtspraak aanvaardbaar geachte restrictieve toelatingsbeleid van het Land Sint Maarten. Als de minister overgaat tot honoreren van de aanvragen dan kan de minister aan de te verlenen vergunningen voorschriften verbinden met betrekking tot - onder meer - het beschikken over geldige documenten, het niet hebben van besmettelijke ziektes en het afsluiten van verzekeringen.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het Gerecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand worden gelaten. De minister moet binnen drie maanden opnieuw op het bezwaar beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigtde uitspraak van het Gerecht, zittingsplaats Sint Maarten, van 28 april 2025 in zaak nr. SXM202301144, voor zover het Gerecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand worden gelaten;
bepaaltdat de minister van Justitie binnen drie maanden opnieuw beslist op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeeltde minister van Justitie tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Cg. 1.400,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat het Land Sint Maarten aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Cg. 300,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.

BIJLAGE

Landsverordening houdende regeling van de toelating tot en de uitzetting uit Sint Maarten
[…]
Artikel 9
1.De vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf kan door of namens de minister worden geweigerd:
a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen;
b. indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
2.De redenen tot weigering worden in de beslissing vermeld.
[…]
Richtlijnen van de minister van Justitie van Sint Maarten met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012
[…]
Hoofdstuk 4
Gezinshereniging en gezinsvorming
Europees Hof voor de Rechten van de Mens ten aanzien van familie- of gezinsleven
Inleiding
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk benadrukt dat bij het toepassen van artikel 8 EVRM Pro het uitgangspunt is dat artikel 8 voor Pro de landen geen algemene verplichting met zich meebrengt de domiciliekeuze van (echt)paren te eerbiedigen of gezinshereniging op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan. Dit geldt zowel voor vreemdelingen gehuwd met vreemdelingen als voor Nederlanders gehuwd met vreemdelingen.
Ondanks dit uitgangspunt is artikel 8 EVRM Pro een belangrijke bepaling in het kader van de rechtsbescherming van vreemdelingen, aangezien toepassing hiervan meer dan eens leidt tot het toestaan van (voortgezet) verblijf.
Om na te gaan of een beslissing in overeenstemming is met het recht op respect voor gezins- en familieleven spelen de volgende vragen een rol:
  • Is er sprake van een familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro? Zo ja,
  • Levert het niet toestaan van (voortgezet) verblijf aan die vreemdeling op een inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven van betrokkene? Zo ja,
  • Is deze inmenging gerechtvaardigd op grond van artikel 8, lid 2 EVRM? Zo niet,
  • Is er dan een positieve verplichting die tot een gunstige beslissing dwingt?
Deze vier vragen dienen zowel bij een eerste toelating als bij voorgezet verblijf getoetst te worden.
Eerste toelating
Indien een vreemdeling niet eerder is toegelaten dan zal niet-inwilligen van de aanvraag in beginsel geen inmenging opleveren in het familie- en gezinsleven. Hier geldt het bovengenoemde uitgangspunt dat de vreemdeling zijn/haar familieleven in het land van herkomst kan voortzetten en dat een ander land niet verplicht kan worden op basis van artikel 8 EVRM Pro gezinshereniging toe te staan.
In een dergelijk geval dient alleen bezien te worden of er voor Sint Maarten een positieve verplichting bestaat de aanvraag tot toelating in te willigen, om zodoende de vreemdeling in staat te stellen het familie- of gezinsleven alhier voort te zetten. In beginsel bestaat er geen positieve verplichting, echter dient aan de volgende criteria getoetst te worden:
De leeftijd
De situatie in het land van herkomst
De afhankelijkheid van familie in Sint Maarten en de Nederlandse nationaliteit van gezinsleden
Hier dient een redelijke afweging (fair balance) plaats te vinden tussen de belangen van de vreemdeling en de gemeenschap in het algemeen. Uit de beslissing dient dit te blijken. Inwilliging op basis van een eventuele positieve verplichting dient beoordeeld te worden door de minister.
[…]
Beleid gezinshereniging
Gezinshereniging is een rechtsgeldige reden voor het aanvragen van verblijf op grond van een huwelijk dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog buiten Sint Maarten verbleven of registratie samenlevingsovereenkomst bij de IND. Terzake toelating van kinderen, geboren uit dat huwelijk wordt verwezen naar Paragraaf 4.8. e.v..
Indien bij eerste toelating het voornemen bestaat gezinshereniging aan te vragen, dient dit direct bij de aanvraag aangegeven te worden door de aanvrager. De aanvrager krijgt uiterlijk een jaar na datum van zijn/haar eigen aanvraag/toelating de gelegenheid om een aanvraag op grond van gezinshereniging in te dienen. De termijn van een jaar is bepaald, daar rekening gehouden is met het feit dat de aanvrager eerst huisvesting, school e.d. zal moeten regelen, voordat de afhankelijke gezinsleden overkomen. Na het verloop van een jaar is gezinshereniging niet meer toegestaan (zie Paragraaf 4.8 en 3.2.2).
Beleid gezinsvorming
Gezinsvorming is een rechtsgeldige reden voor het aanvragen van verblijf op grond van een huwelijk dat gesloten is nadat een van de echtgenoten reeds in Sint Maarten verblijft. Toelating voor gezinsvorming is alleen mogelijk, indien maximaal 1 jaar na het sluiten van het huwelijk of registratie samenleving bij de IND een aanvraag tot toelating is ingediend. Voor toelating van minderjarige kinderen, behorend tot het gezin van de buitenlandse echtgeno(o)t(e) wordt verwezen naar Paragraaf 4.8 en 3.2.2.
4.2
Voorwaarden
Zowel bij gezinshereniging als gezinsvorming gelden de volgende voorwaarden:
  • de persoon, bij wie toelating aangevraagd wordt, dient duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie normbedragen Paragraaf 3.7 sub a);
  • de persoon, die de toelating aanvraagt, moet duurzaam beschikken over passende huisvesting, die daadwerkelijk beschikbaar is. In geval van inwonen bij een derde, dient er geen bezwaar tegen de bewoning of inwoning van de toe te laten familieleden te bestaan. De regels van de sociale woningbouw zijn in casu van toepassing;
  • de vreemdeling, die toelating aanvraagt, mag geen gevaar vormen voor de openbare orde. Aan familieleden worden dezelfde eisen gesteld als ten aanzien van de aanvrager van een verblijfsvergunning.
[…]
4.3
Vereisten voor toelating echtgeno(o)t(e)
[…]
4.3.5
Klemmende redenen van humanitaire aard
In zeer uitzonderlijke gevallen, waarin niet aan alle voorwaarden voor toelating in het kader van gezinshereniging of -vorming voldaan wordt, is toelating op grond van klemmende redenen van humanitaire aard mogelijk. Daarvoor zijn primair bepalend de persoonlijke omstandigheden van het gezinslid in het buitenland.
Bijvoorbeeld:
  • Aangezien de vreemdeling nauwe banden heeft met in Sint Maarten wonende personen, of
  • Aangezien terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet verlangd kan worden, of
  • Aangezien betrokkene de zorg heeft over minderjarige kinderen, die in Sint Maarten geboren zijn.
De vraag of verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard behoort te worden toegestaan, dient uiteraard per concreet geval bekeken te worden. Deze verzoeken dienen aan de minister te worden voorgelegd.
[…]
4.8
Kinderen
Bij de aanvraag dient de aanvrager opgave te doen van zijn/haar echtgeno(o)t(e) en/of wettige kinderen ten aanzien van wie hij/zij de intentie heeft op enig tijdstip eveneens een verblijfsvergunning aan te vragen. Er wordt namelijk redelijk gehouden met het feit dat de aanvrager eerst huisvesting, school e.d. zal moeten regelen, voordat de afhankelijke gezinsleden overkomen.
Ten aanzien van de kinderen, voor wie toelating aangevraagd is, dient te worden aangetoond dat zij aangemeld en/of ingeschreven zijn op een lokale school.
Voor overige voorwaarden wordt verwezen naar paragraaf 4.2.
[…]
4.9
Model 1-formulier
Zoals reeds in Paragraaf 4.1 neergelegd, worden partners en kinderen slechts toegelaten tot maximaal 1 jaar na aankomst van de aanvrager, die een zelfstandige titel verkregen heeft.
Op het Model 1-formulier van deze aanvrager dient reeds vermeld te zijn dat hij/zij de intentie heeft om binnen de termijn van 1 jaar gezinshereniging aan te vragen.
[…]
Ministeriële beschikking van april 2021 tot aanpassing en publicatie van de Richtlijnen van mei 2012 met betrekking tot de toepassing van de Landsverordening toelating en uitzetting en het Toelatingsbesluit
[…]
Artikel 2
De samenlevingsovereenkomst als basis voor een vergunning tot tijdelijk verblijf komt te vervallen.
Artikel 3
Het normbedrag voor gezinsvorming en gezinshereniging wordt vastgesteld op ANG 3.000,- bruto inkomen per maand oftewel ANG 36.000,- bruto inkomen per jaar, indien de garantstellende echtgenoot vreemdeling is. Indien de garantstellende echtgenoot Nederlander is, wordt als normbedrag gehanteerd het wettelijk minimumloon.
[…]