ECLI:NL:OGHACMB:2025:279

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
CUR2025H00094
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Optieverklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap en de bewijswaarde van getuigenverklaringen

In deze zaak gaat het om de optieverklaring van verweerster voor het verkrijgen van het Nederlanderschap. De Gouverneur van Curaçao heeft de verklaring geweigerd, omdat verweerster volgens hem niet kon aantonen dat zij gedurende een onafgebroken periode van vijftien jaren toelating en hoofdverblijf had in Curaçao. Verweerster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, wat door het Gerecht in eerste aanleg gegrond werd verklaard. Het Gerecht vernietigde de beslissing van de Gouverneur en droeg hem op een nieuwe beschikking te geven. De Gouverneur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Tijdens de zitting op 7 oktober 2025 waren verweerster en haar echtgenoot aanwezig, bijgestaan door hun advocaat. De Gouverneur werd vertegenwoordigd door zijn directeur en hoofd consulaire zaken.

Het Hof heeft de zaak beoordeeld en zich afgevraagd of getuigenverklaringen een rol kunnen spelen in de procedure over de optieverklaring. Het Hof concludeert dat getuigenverklaringen, mits ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens, wel degelijk betekenis kunnen hebben. Echter, het Hof oordeelt dat het Gerecht ten onrechte doorslaggevende waarde heeft gehecht aan de getuigenverklaringen van personen met een persoonlijke band met verweerster. Het Hof vernietigt de uitspraak van het Gerecht en verklaart het beroep van de Gouverneur ongegrond, met de verwachting dat de optieverklaring van verweerster alsnog bevestigd zal worden, tenzij er ernstige vermoedens zijn die dit verhinderen.

Uitspraak

CUR2025H00094
Datum uitspraak: 19 november 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Gouverneur van Curaçao (hierna: de Gouverneur),
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 28 februari 2025 in zaak nr. CUR202401481, in het geding tussen:
appellant
en
[verweerster]

Procesverloop

Bij beschikking van 4 augustus 2023 heeft de Gouverneur geweigerd de verklaring van verweerster ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) te bevestigen.
Bij beschikking van 14 maart 2024 heeft de Gouverneur het daartegen door verweerster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft het Gerecht het daartegen door verweerster ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de Gouverneur opgedragen om een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van hetgeen het Gerecht heeft overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de Gouverneur hoger beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 oktober 2025. verweerster en haar echtgenoot [D] waren aanwezig, bijgestaan door mr. I.F. Moeniralam, advocaat. De Gouverneur werd vertegenwoordigd door mr. P.T. Benschop, directeur van het Kabinet van de Gouverneur, en drs. R.V. van der Zeeuw, hoofd consulaire zaken van het Kabinet van de Gouverneur.

Overwegingen

Inleiding
1. Verweerster is sinds [datum] 2007 gehuwd met D. Verweerster heeft eerst een verblijfsvergunning gehad voor arbeid in loondienst. Vanaf 19 maart 2008 tot aan 13 maart 2018 had zij tijdelijke verblijfsvergunningen voor verblijf bij D. Daarna heeft zij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen.
D is sinds halverwege 2006 eigenaar van het perceel [adresgegevens]. De aanduiding van dit perceel is later gewijzigd naar [adresgegevens] en daarna naar [adresgegevens]. Hoewel D zich niet had ingeschreven in de basisadministratie op dit adres, zijn partijen het erover eens dat hij vanaf 2006 op deze plaats heeft gewoond. Dat blijkt onder andere uit overgelegde facturen met vermelding van zijn naam en dit adres. Op 12 maart 2009 heeft verweerster zich op dit adres ingeschreven in de basisadministratie. Op [datum] 2009 is de zoon van verweerster en D geboren.
1.1.
Op 27 juni 2023 heeft verweerster de Gouverneur gevraagd om bevestiging van haar verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. De Gouverneur heeft dat geweigerd omdat verweerster volgens hem niet heeft aangetoond dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren daarvóór toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao. De Gouverneur werpt haar tegen dat zij weliswaar verblijfsvergunningen voor verblijf bij D had, maar niet gedurende de gehele periode van vijftien jaar heeft voldaan aan de van de vergunning deel uitmakende voorwaarde dat zij moest samenwonen met D. Uit de basisregistratie persoonsgegevens blijkt dat zij vanaf 27 juni 2008 (de startdatum voor de toetsing) tot aan 12 maart 2009 op een ander woonadres dan haar partner stond ingeschreven.
De uitspraak van het Gerecht
2. Het Gerecht heeft, voor zover in hoger beroep bestreden, overwogen dat het voor verweerster lastig is om anders dan door middel van getuigenverklaringen aannemelijk te maken dat zij al vanaf 27 juni 2008 op het adres [adresgegevens] woonde. Daarin heeft het Gerecht aanleiding gezien om op verzoek van verweerster getuigen op de zitting te horen. Het Gerecht heeft hen onder ede gehoord en heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen getoetst. Het Gerecht heeft geconcludeerd dat verweerster met deze getuigenverklaringen, in onderling verband en in samenhang bezien, alsnog voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten minste vanaf 27 juni 2008 op het adres [adresgegevens] woonde. De Gouverneur heeft haar ten onrechte tegengeworpen dat zij in de periode van 27 juni 2008 tot aan 12 maart 2009 niet samenwoonde met haar echtgenoot. Als gevolg daarvan heeft de Gouverneur zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat verweerster niet voldeed aan de voorwaarde uit artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN, dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao.
Het hoger beroep
3. De Gouverneur betoogt dat verweerster de samenwoning tussen 27 juni 2008 en 12 maart 2009 niet heeft aangetoond. Volgens hem heeft het Gerecht ten onrechte gewicht toegekend aan de getuigenverklaringen. Hij wijst op de aard en het gewicht van de optieverklaring, waarmee iemand het Nederlanderschap kan verkrijgen, en betoogt dat een optant met objectieve en verifieerbare gegevens moet aantonen dat hij aan de voorwaarden voldoet. Verklaringen van derden zijn niet objectief en niet verifieerbaar en zij kunnen bovendien beïnvloed worden, aldus de Gouverneur. Volgens de Gouverneur volgt uit de artikelen 21 en 22 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: BvvN) dat de beoordeling plaatsvindt aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens. De adresregistratie in de bevolkingsadministratie is daarbij het uitgangspunt. Indien het adres uit de bevolkingsadministratie afwijkt van de feitelijke woon- en verblijfsplaats, komt de Gouverneur de aanvrager tegemoet door deze de mogelijkheid te bieden om met stukken uit andere objectieve bronnen aan te tonen dat sprake is van samenwoning. Daarbij kan worden gedacht aan bankafschriften, salarisstroken, brieven van officiële instanties, medische gegevens en andere bescheiden uit objectieve bron waaruit volgt dat de aanvrager feitelijk op een bepaald adres heeft gewoond. Anders dan het Gerecht vindt de Gouverneur tijdsverloop geen reden om getuigenverklaringen bij de beoordeling te betrekken. Daarbij verwijst hij naar de tekst van artikel 6 van de RWN, waarin de eis van vijftien jaar is neergelegd, samen met andere limitatieve omstandigheden waaronder het Nederlanderschap verkregen kan worden door optieverklaring. Op de zitting heeft de Gouverneur zich op het standpunt gesteld dat getuigenverklaringen wel van betekenis kunnen zijn ter toelichting op schriftelijke stukken uit objectieve bronnen. Tot slot heeft de Gouverneur aangevoerd dat indien getuigenverklaringen al van betekenis kunnen zijn bij de besluitvorming over de optieverklaring, het Gerecht ten onrechte doorslaggevende bewijswaarde heeft toegekend aan de afgelegde verklaringen om de periode van samenwoning te reconstrueren. Dit omdat de twee verklaringen waarop dit oordeel is gebaseerd, afkomstig zijn van personen die een persoonlijke band hebben of hadden met verweerster en niet als objectieve bron kunnen worden aangemerkt. Die verklaringen voldoen daarmee niet aan het vereiste van objectiveerbaarheid en verifieerbaarheid.
Beoordeling
4. Gelet op de aangevoerde hogerberoepsgronden ziet het Hof zich gesteld voor de vraag of getuigenverklaringen een rol kunnen spelen bij de procedure over optieverklaring en, zo ja, welke. Het Hof beantwoordt deze vraag aan de hand van het relevante wettelijk kader.
4.1.
Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN bepaalt dat de vreemdeling die gedurende ten minste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander en gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in (...) Curaçao, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap verkrijgt.
Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring rust.
4.2.
Artikel 6, eerste lid, van het BvvN bepaalt dat de optant zoveel mogelijk gegevens verstrekt over een aantal daar genoemde persoonsgebonden onderwerpen. Het vijfde lid van deze bepaling bepaalt dat de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt, kan verlangen dat de optant de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.
Uit artikel 21, eerste lid, van het BvvN volgt verder dat de verstrekte gegevens getoetst worden aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen en uit het vijfde lid volgt dat de Gouverneur voor zover mogelijk de juistheid onderzoekt van de gegevens die niet op die manier kunnen worden getoetst.
In artikel 22, eerste lid, van de BvvN is opgenomen dat de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant onderzoekt.
4.3.
Het Hof stelt vast dat de wet als uitgangspunt hanteert dat de woonplaats van een optant wordt bepaald aan de hand van de inschrijving van die persoon in de bevolkingsadministratie, zijnde een officieel register en een objectiveerbare en verifieerbare bron. Met de Gouverneur is het Hof van oordeel dat voor de voorgeschreven toetsing aanvullend gebruik kan worden gemaakt van door de optant aan te reiken andere stukken uit objectiveerbare en verifieerbare bronnen, zoals stukken van officiële instanties, bijvoorbeeld van de politie, de belastingdienst, en van bijvoorbeeld medische instanties en nutsbedrijven. Anders dan de Gouverneur aanvankelijk heeft betoogd, is het Hof van oordeel dat bij de te verrichten toetsing ook betekenis kan worden toegekend aan verklaringen van getuigen die uitleg kunnen geven bij stukken van officiële registers en/of andere officiële instanties als hiervoor bedoeld.
De RWN en het BvvN staan hier niet aan in de weg. Dat is anders bij getuigenverklaringen die los staan van stukken uit officiële registers en uit andere objectieve bronnen. Gelet op de aard en het gewicht van de bevestiging van de optieverklaring en het verkrijgen van het Nederlanderschap kan in de procedure over optieverklaring niet aan alle bewijsmiddelen betekenis worden toegekend. Dat geldt bijvoorbeeld voor het gebruik maken van verklaringen van getuigen die een persoonlijke relatie hebben of hadden met de optant. Dit omdat de feitelijke gegevens uit die getuigenverklaringen geen objectieve en verifieerbare gegevens betreffen. Het Gerecht heeft daarom aan de verklaringen van de getuigen vermeld onder 14.3 en 14.4 van zijn uitspraak niet een doorslaggevende bewijswaarde mogen toekennen. Het Gerecht heeft op basis van enkel die twee getuigenverklaringen ten onrechte voldoende aannemelijk gemaakt geacht dat verweerster (ten minste) vanaf 27 juni 2008 al woonde op het adres [adresgegevens]. Voor de goede orde voegt het Hof daar nog aan toe dat de Gouverneur terecht heeft betoogd dat een optant niet slechts aannemelijk moet maken dat aan het wettelijke criterium is voldaan, maar dit moet aantonen. Het betoog slaagt in zoverre.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het beroep is ongegrond. De Gouverneur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Tot slot
6. Op de zitting is gebleken dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat verweerster met haar echtgenoot sinds 12 maart 2009 samenwoont op het adres [adresgegevens]. Evenmin is in geschil dat zij sinds 12 maart 2024 voldoet aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN. Van de zijde van de Gouverneur is op de zitting bevestigd dat als niet blijkt van ernstige vermoedens als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de RWN, de optieverklaring van verweerster per 12 maart 2024 voor bevestiging in aanmerking komt. Het Hof gaat er daarom van uit dat de Gouverneur binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak de optieverklaring van verweerster van 27 juni 2023 alsnog bevestigt, tenzij uit nader onderzoek blijkt van ernstige vermoedens als hiervoor vermeld.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 28 februari 2025 in zaak nr. CUR202401481;
verklaarthet beroep
ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.