Uitspraak
Procesverloop
Overwegingen
D is sinds halverwege 2006 eigenaar van het perceel [adresgegevens]. De aanduiding van dit perceel is later gewijzigd naar [adresgegevens] en daarna naar [adresgegevens]. Hoewel D zich niet had ingeschreven in de basisadministratie op dit adres, zijn partijen het erover eens dat hij vanaf 2006 op deze plaats heeft gewoond. Dat blijkt onder andere uit overgelegde facturen met vermelding van zijn naam en dit adres. Op 12 maart 2009 heeft verweerster zich op dit adres ingeschreven in de basisadministratie. Op [datum] 2009 is de zoon van verweerster en D geboren.
Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring rust.
Uit artikel 21, eerste lid, van het BvvN volgt verder dat de verstrekte gegevens getoetst worden aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen en uit het vijfde lid volgt dat de Gouverneur voor zover mogelijk de juistheid onderzoekt van de gegevens die niet op die manier kunnen worden getoetst.
In artikel 22, eerste lid, van de BvvN is opgenomen dat de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant onderzoekt.
De RWN en het BvvN staan hier niet aan in de weg. Dat is anders bij getuigenverklaringen die los staan van stukken uit officiële registers en uit andere objectieve bronnen. Gelet op de aard en het gewicht van de bevestiging van de optieverklaring en het verkrijgen van het Nederlanderschap kan in de procedure over optieverklaring niet aan alle bewijsmiddelen betekenis worden toegekend. Dat geldt bijvoorbeeld voor het gebruik maken van verklaringen van getuigen die een persoonlijke relatie hebben of hadden met de optant. Dit omdat de feitelijke gegevens uit die getuigenverklaringen geen objectieve en verifieerbare gegevens betreffen. Het Gerecht heeft daarom aan de verklaringen van de getuigen vermeld onder 14.3 en 14.4 van zijn uitspraak niet een doorslaggevende bewijswaarde mogen toekennen. Het Gerecht heeft op basis van enkel die twee getuigenverklaringen ten onrechte voldoende aannemelijk gemaakt geacht dat verweerster (ten minste) vanaf 27 juni 2008 al woonde op het adres [adresgegevens]. Voor de goede orde voegt het Hof daar nog aan toe dat de Gouverneur terecht heeft betoogd dat een optant niet slechts aannemelijk moet maken dat aan het wettelijke criterium is voldaan, maar dit moet aantonen. Het betoog slaagt in zoverre.
Beslissing
ongegrond.