Uitspraak
[eigenaren 2], wonend in Duitsland, en
[eigenaren 3], wonend in Nederland,
Eigenaren 1 zijn sinds 2021 eigenaar van het perceel Sabal Palm [nummer] met daarop een woning. Niet in geschil is dat deze woning voor 8 oktober 2010 is gebouwd.
Eigenaren 2 zijn sinds 2014 eigenaar van het perceel Sabal Palm [nummer] met daarop een woning waarvoor op 2 mei 1995 een bouwvergunning is afgegeven. Niet in geschil is dat deze woning in de jaren ’90 is gebouwd.
Eigenaren 3 zijn sinds 2019 eigenaar van het perceel Sabal Palm [nummer] met daarop een woning waarvoor op 18 februari 2021 een bouwvergunning is afgegeven. Niet in geschil is dat deze woning is gebouwd in 2021.
53.1. Bestemmingsomschrijving
1. De gronden met de bestemming 'Woongebied - II' zijn bestemd voor woningen, niet zijnde appartementengebouwen;
2. Binnen een woning is het uitoefenen van een beroep of bedrijf toegestaan, mits het beroep of bedrijf ondergeschikt is aan de woonfunctie en de woning het uiterlijk aanzien van een woning behoudt. Ten hoogste 30% van de woning mag gebruikt worden voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf, maar nooit meer dan 50 m2 . De beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten mogen geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat en niet leiden tot een verkeersaantrekkende werking die overlast geeft. Het beroep of bedrijf moet worden uitgeoefend door de bewoner;
3. Woningen die ten tijde van het van kracht worden van dit ruimtelijk ontwikkelingsplan verblijfsrecreatief of voor een andere functie worden gebruikt, mogen deze functie blijven vervullen;
4. Een woongebied bestaat uit meer dan alleen de hiervoor genoemde gebouwen. Bij een woongebied behoren ook wegen, paden, groenvoorzieningen, parken, waterlopen, verhardingen, terreinen, tuinen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. Deze zijn dan ook toegestaan binnen de bestemming 'Woongebied -II'.
Het is verboden de gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en terreinen te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met de bestemming en de voorschriften. Het Bestuurscollege kan op verzoek vrijstelling van dit verbod verlenen indien er geen dringende reden is het meest doelmatig gebruik te beperken. Tevens kan het Bestuurscollege voor nieuw te bouwen woningen vrijstelling verlenen van het verbod deze geheel of gedeeltelijk voor verblijfsrecreatie te gebruiken indien een verblijfsrecreatieve bewoning geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de nabijheid van de te bouwen woningen of de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b. Het is verboden het met het ruimtelijk ontwikkelingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Oordeel van het Gerecht over artikel 53.1, derde lid van het ROB
Betoog in hoger beroep over artikel 53.1, derde lid, van het ROB
Oordeel van het Hof over artikel 53.1, derde lid, van het ROB
De bewijslastverdeling bij het opleggen van een last onder dwangsom
Gevolgen voor verzoeken om vrijstelling
Conclusie eigenaren 1 en eigenaren 2
Het Bestuurscollege moet ook de proceskosten in beroep vergoeden. Het is niet nodig om het Bestuurscollege daartoe te veroordelen voor zover het gaat om de beroepen tegen de afwijzingsbeschikkingen, omdat het Gerecht dat al heeft gedaan. Het Hof stelt de proceskosten in de beroepsprocedures tegen de lasten onder dwangsom, die gelet op hun samenhang ook worden beschouwd als één zaak, vast op USD 700,- (1 punt voor de beroepschriften). Het Bestuurscollege moet ook het door eigenaren 1 en eigenaren 2 voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoeden. Het is niet nodig om het Bestuurscollege daartoe te veroordelen voor zover het gaat om de beroepen tegen de afwijzingsbeschikkingen, omdat het Gerecht dat al heeft gedaan. Aanvullend daarop moet het Bestuurscollege ook het door eigenaren 1 en eigenaren 2 voor de beroepen tegen de lasten onder dwangsom betaalde griffierecht vergoeden.
De afwijzing van het verzoek om vrijstelling
- een verblijfsrecreatieve bewoning geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de nabijheid van de te bouwen woningen, of
- de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.
In hun inleidend verzoek van 10 augustus 2021 hebben eigenaren 3 het standpunt ingenomen dat verblijfsrecreatief gebruik van hun perceel geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de nabijheid van de woning. Dit is toegelicht door erop te wijzen dat er geen receptie, horeca, personeel of uitgebreidere parkeergelegenheid aanwezig is en het enige verschil met lange termijnverhuur of permanente bewoning is dat de verblijfstermijnen en/of overeenkomsten korter zijn.
Voor zover het verzoek is gericht op het eigen verblijfsrecreatieve gebruik van de woning, heeft het Bestuurscollege onvoldoende onderbouwd waarom toewijzing van dit verzoek afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat in de nabijheid van de woning. Het Hof zal hierna aangeven wat dit voor gevolgen heeft voor de bestreden afwijzingsbeschikking.
De last onder dwangsom
Hieruit volgt dat het Gerecht het beroep tegen de last onder dwangsom daarom ten onrechte ongegrond heeft geacht.
Ook het hoger beroep in zaak nr. BON2025H00014 (last onder dwangsom) slaagt. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het beroep tegen de last onder dwangsom is gegrond. Deze last wordt vernietigd. Het Hof ziet geen aanleiding de last voor zover deze ziet op het verblijfsrecreatieve gebruik van de woning door toeristen in stand te laten, omdat in de dwangsombeschikking niet is gedifferentieerd naar de aard van het verblijfsrecreatief gebruik en het niet aan het Hof is om die differentiatie aan te brengen en daarbij de hoogte van dwangsommen te bepalen. Dit betekent dat het aan het Bestuurscollege is om - nadat een beslissing is genomen op het verzoek om vrijstelling - zich te beraden of er aanleiding is voor bepaald verblijfsrecreatief gebruik alsnog een dwangsom op te leggen.
Het Bestuurscollege moet ook de proceskosten in beroep vergoeden. Het is niet nodig om het Bestuurscollege daartoe te veroordelen voor zover het gaat om het beroep tegen de afwijzingsbeschikking, omdat het Gerecht dat al heeft gedaan. Het Hof stelt de proceskosten in de beroepsprocedure tegen de last onder dwangsom vast op USD 700,- (1 punt voor het beroepschrift). Het Bestuurscollege moet ook het door eigenaren 3 voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoeden. Het is niet nodig om het Bestuurscollege daartoe te veroordelen voor zover het gaat om het beroep tegen de afwijzingsbeschikking, omdat het Gerecht dat al heeft gedaan. Aanvullend daarop moet het Bestuurscollege ook het door eigenaren 3 voor het beroep tegen de last onder dwangsom betaalde griffierecht vergoeden.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire van 19 december 2024 in zaken nrs. BON202400205 en BON202400208, voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van de beschikkingen van het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire van 10 april 2024, gericht aan eigenaren 1 en eigenaren 2 in stand blijven;
bepaaltdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak opnieuw op de verzoeken om vrijstelling van eigenaren 1 en eigenaren 2 beslist, met inachtneming van hetgeen het Hof in deze uitspraak heeft overwogen;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire van 19 december 2024 in zaken nrs. BON202400207 en BON202400209;
verklaartde beroepen van eigenaren 1 en eigenaren 2 in de zaken nrs. BON202400207 en BON202400209
gegrond;
vernietigtde beschikkingen van het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire van 24 april 2024 waarin het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 1 en eigenaren 2 een last onder dwangsom heeft opgelegd;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire van 19 december 2024 in zaak nr. BON202400211;
verklaarthet beroep van eigenaren 3 in zaak nr. BON202400211
gegrond;
vernietigtde beschikking van het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire van 24 april 2024 waarin het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire het verzoek om vrijstelling van het verbod in het ROB om hun woning voor verblijfsrecreatie te gebruiken, heeft afgewezen;
bepaaltdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak opnieuw op het verzoek om vrijstelling van eigenaren 3 beslist, met inachtneming van hetgeen het Hof in deze uitspraak heeft overwogen;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire van 19 december 2024 in zaak nr. BON202400212;
verklaarthet beroep van eigenaren 3 in zaak nr. BON202400212
gegrond;
vernietigtde beschikking van het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire van 24 april 2024 waarin het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 3 een last onder dwangsom heeft opgelegd;
veroordeelthet Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire tot vergoeding van de bij eigenaren 1 en eigenaren 2 in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van USD 2.800,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
veroordeelthet Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire tot vergoeding van de bij eigenaren 3 in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van USD 2.100,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 1 het door hen voor de behandeling van de hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van USD 336,- vergoedt;
gelastdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van USD 84,- vergoedt;
gelastdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 2 het door hen voor de behandeling van de hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van USD 336,- vergoedt;
gelastdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van USD 84,- vergoedt;
gelastdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 3 het door hen voor de behandeling van de hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van USD 336,- vergoedt;
gelastdat het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire aan eigenaren 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van USD 84,- vergoedt;