De werknemer was sinds 1999 in dienst bij Lotto en werd op 28 februari 2024 op staande voet ontslagen wegens onvoldoende functioneren en beledigende uitlatingen. Het ontslag werd gegeven door een procuratiehouder van Canadian, die volgens de afspraken tussen Lotto en Canadian bevoegd was om werknemers te managen en te ontslaan. De werknemer betwistte de bevoegdheid van Canadian om het ontslag te geven en stelde dat het ontslag onbevoegd was.
Het Gerecht wees de vorderingen van de werknemer af en oordeelde dat Canadian niet de werkgever was, maar wel bevoegd was om namens Lotto het ontslag te geven. Lotto had het ontslag bekrachtigd en er waren voldoende dringende redenen voor het ontslag. In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Het Hof stelde dat de wet niet voorschrijft dat ontslag op staande voet alleen door de werkgever zelf gegeven mag worden en dat de vertegenwoordiging door een derde rechtsgeldig is.
Het Hof oordeelde verder dat het niet noodzakelijk was dat de werknemer vooraf geïnformeerd werd over de bevoegdheid van Canadian en dat de werkgever het ontslag heeft bekrachtigd. De werknemer had geen voldoende onderbouwde grieven tegen het oordeel over de dringende reden aangevoerd. Het Hof veroordeelde de werknemer in de kosten van het hoger beroep en verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.