In deze zaak staat centraal of appellant de woning moet ontruimen die hij zonder toestemming van de eigenares bewoont. De eigenares, geïntimeerde, vorderde ontruiming omdat appellant geen recht of titel heeft om de woning te gebruiken. Het Gerecht in eerste aanleg heeft deze vordering toegewezen.
Appellant kwam in hoger beroep tegen dit vonnis, maar heeft geen concreet bezwaar tegen het oordeel van het Gerecht aangevoerd. Zijn grieven betroffen vooral een verzoek om vergoeding voor gemaakte kosten en teruggave van spullen, alsmede een aansprakelijkstelling wegens laster en smaad. Het Hof oordeelde dat deze verzoeken neerkomen op een reconventionele vordering die niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld.
Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht, oordeelde dat geïntimeerde een spoedeisend belang heeft bij ontruiming en dat appellant geen toereikende gronden heeft aangevoerd om in de woning te mogen blijven. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die zijn vastgesteld op Cg 249,50 aan verschotten en Cg 5.000,- aan salaris van de gemachtigde.