ECLI:NL:OGHACMB:2025:135
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van gronden in verblijfsvergunningzaak
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvragen voor verblijfsvergunningen door de minister van Justitie. De minister wees deze aanvragen af en verklaarde de daaropvolgende bezwaren niet-ontvankelijk. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. Appellanten stelden hiertegen hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof.
Het Hof stelde vast dat appellanten in hun hogerberoepschriften niet hadden aangegeven met welke overwegingen van het vonnis van het Gerecht zij het oneens waren en waarom. Hierdoor voldeden zij niet aan de vereisten van artikel 15, vijfde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), in verbinding met artikel 77, eerste lid. Ondanks een termijnverlenging lieten appellanten deze gelegenheid onbenut.
Op grond van artikel 22, tweede lid, en artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar verklaarde de voorzitter van het Hof de hoger beroepen niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzitter W.H. Bel op 18 juni 2025.
Uitkomst: De hoger beroepen van appellanten zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het hoger beroepschrift.