ECLI:NL:OGHACMB:2024:254

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
CUR202403643 – CUR2024H00273
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 272 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ontruimingstermijn tuinbouwgrond na kort geding vonnis

In deze zaak is het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geconfronteerd met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis in kort geding. De appellant, huurder van tuinbouwgrond en bedrijfswoningen van de stichting Soltuna, was veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken na betekening van het vonnis.

De appellant stelde dat de korte ontruimingstermijn onredelijk was vanwege de gevolgen voor hem en zijn familie, waaronder het verlies van inkomen en het risico op dakloosheid. Het Hof heeft het verzoek tot schorsing beoordeeld aan de hand van de maatstaven uit het arrest Strandhotel en concludeerde dat er geen kennelijke misslagen in het bestreden vonnis waren, maar dat de termijn van twee weken te kort was.

Het Hof heeft daarom de ontruimingstermijn verlengd tot drie maanden na betekening van het vonnis, waardoor de belangen van de appellant beter worden gewogen tegen die van Soltuna. De overige vorderingen tot schorsing zijn afgewezen en de kosten van de procedure worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De ontruimingstermijn wordt verlengd tot drie maanden na betekening van het vonnis.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2024
Zaaknummers: CUR202403643 – CUR2024H00273
Uitspraak: 9 december 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot schorsing op de voet van art. 272 Rv Pro van:
[APPELLANT],
wonende in Curaçao of in Rotterdam,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellant,
eiser tot schorsing,
gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski,
tegen
de stichting
STICHTING ONTWIKKELING LAND- EN TUINBOUW
OP DE NEDERLANDSE ANTILLEN,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
verweerster tegen de vordering tot schorsing,
gemachtigde: mr. J.C. Maris.
Partijen worden hierna [appellant] en Soltuna genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij op 18 november 2024 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 1 november 2024 in kort geding uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij op 20 november 2024 ingekomen verzoekschrift, met producties, heeft [appellant] gevorderd, verkort weergegeven, dat het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis zal schorsen voor de duur van het hoger beroep en Soltuna zal veroordelen in de kosten van de schorsingsprocedure.
1.3
Bij op 28 november 2024 ingekomen verweerschrift, met producties, heeft Soltuna geconcludeerd, voor zover nu van belang, tot afwijzing van de vorderingen van [appellant], met veroordeling van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de schorsingsprocedure.
1.4
Op 6 december 2024 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
1.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1
In 1992 heeft Soltuna 3,71 hectare tuinbouwgrond en een bedrijfswoning aan [appellant] verhuurd. Later heeft [appellant] als uitbreiding op de huurovereenkomst de beschikking gekregen over een stuk grond van 3,65 hectare en een tweede bedrijfswoning. In 2014 heeft Soltuna een teeltkas aan [appellant] verhuurd.
2.2
In het bestreden vonnis heeft het Gerecht in kort geding [appellant] veroordeeld om, verkort weergegeven, binnen twee weken na betekening van het vonnis het gehuurde te ontruimen met nader omschreven personen en zaken.
2.3
Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing, al dan niet onder voorwaarden, gelden de maatstaven als vermeld in HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel).
2.4
Het verzoekschrift bevat een uitgebreid feitenrelaas, met verwijzing naar een groot aantal producties, en met conclusies waaruit blijkt dat [appellant] het niet eens is met de beoordeling van de zaak door het Gerecht. Het verzoekschrift bevat echter geen aanwijzingen voor kennelijke misslagen in het bestreden vonnis en het Hof heeft die ook niet aangetroffen. Alle bezwaren van [appellant] tegen het bestreden vonnis kunnen in het hoger beroep aan de orde komen. Het Hof loopt daarop thans niet vooruit.
2.5
De belangen van Soltuna bij hetgeen zij in kort geding gevorderd heeft, zijn omschreven in 3.1-3.6 van het verweerschrift. Kort gezegd gaat het om de ontwikkeling van land- en tuinbouw in Curaçao. Dat zijn andere belangen dan het Gerecht in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van het spoedeisend belang, namelijk (financiële) belangen bij opbrengst van groente en fruit en een betalende huurder. De in het verweerschrift genoemde belangen zijn minder spoedeisend. Dat vermindert haar belang bij de uitvoerbaarheid bij voorraad.
2.6
Bij de beoordeling van de belangen van [appellant] is van betekenis dat betwist is of hij op het gehuurde woont en zo ja, voor welk deel van de tijd. Het Gerecht is ervan uitgegaan dat [appellant] in Rotterdam woont (rov. 5.3) en dat zijn zoon, dochter en kleinkinderen op het gehuurde wonen (rov. 5.2 en 5.3). [appellant] voert aan dat door de ontruiming een aantal gezinnen zonder inkomen zou komen te zitten en dakloos zou worden en dat ook zijn spaargeld verloren zou gaan. Volgens hem zijn de gevolgen van de ontruiming onomkeerbaar.
2.7
Bij een afweging van de belangen komt het Hof tot het oordeel dat een ontruimingstermijn van twee weken na betekening van het bestreden vonnis te kort is. Het Hof zal de ontruimingstermijn verlengen tot drie maanden na betekening van het bestreden vonnis.
2.8
De vordering wordt dus gedeeltelijk toegewezen. Daarom zullen de kosten van de schorsingsprocedure worden gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
schorst de tenuitvoerlegging in die zin dat de ontruimingstermijn wordt verlengd tot drie maanden na betekening van het bestreden vonnis;
wijst de schorsingsvordering voor het overige af;
compenseert de kosten van de schorsingsprocedure zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.