ECLI:NL:OGHACMB:2024:158

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
CUR2021H00375
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:179 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding in hoger beroep

Deze zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen de vrouw en de man na hun echtscheiding, die in 2015 is uitgesproken. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao uit 2021, waarin de gemeenschap reeds was verdeeld en overbedelingsbetalingen waren vastgesteld.

In het hoger beroep heeft de vrouw zes grieven tegen het vonnis ingediend, terwijl de man incidenteel appel heeft ingesteld met twee grieven. Beide partijen hebben diverse processtukken en producties ingediend, waaronder pleitnota's en akten, waarin zij hun standpunten over de verdeling uiteen hebben gezet.

Het Hof heeft het geschil over de verdeling van de gemeenschap en de waardering van de bestanddelen nader onderzocht en instructies gegeven voor een ordentelijke voortzetting van de procedure. Het Hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor gelijktijdige akten van partijen en houdt ieder verder oordeel aan, waarbij ook de mogelijkheid van een mondelinge behandeling openstaat.

Uitkomst: Het Hof verwijst de zaak naar de rol voor gelijktijdige akten en houdt ieder verder oordeel aan.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR201500963 – CUR2021H00375
Uitspraak: 27 augustus 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[DE VROUW],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.S.M. Blonk,
tegen
[DE MAN],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde,
thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak betreft een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. Het echtscheidingsverzoek is in 2014 gedaan en de echtscheiding is in 2015 uitgesproken en ingeschreven. Deze zaak is in 2015 ingeleid met een verzoekschrift. Na diverse mondelinge behandelingen en tussenvonnissen is het eindvonnis uitgesproken in 2021.
In dit hoger beroep staat opnieuw de vraag ter beoordeling hoe de huwelijksgoederengemeenschap moet worden verdeeld.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 21 december 2021 ingekomen akte van appel is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 december 2021 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Bij op 1 februari 2022 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij op 23 maart 2022 per mail en op 24 maart 2023 in hard copy ingekomen memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, heeft de man de grieven van de vrouw bestreden, zijnerzijds incidenteel appel ingesteld en twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis en de tussenvonnissen die daaraan zijn voorafgegaan, zal vernietigen en de gemeenschap zal verdelen overeenkomstig zijn standpunten, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep, met rente.
2.4
Een memorie van antwoord in het incidenteel appel is niet ingediend.
2.5
Op de voor schriftelijk pleidooi nader bepaalde dag, 14 februari 2023, heeft de man een pleitnota ingediend, met producties, en de vrouw een gedingstuk van 20 pagina’s, getiteld akte uitlating, met producties.
2.6
Op 28 augustus 2023 heeft de vrouw een akte ingediend, met producties. Op 19 september 2023 heeft de man een antwoordakte ingediend. Op 24 oktober 2023 heeft de vrouw een akte ingediend.
2.7
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.1
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Op [datum] 2014 heeft de vrouw echtscheiding verzocht. In 2015 is de echtscheiding uitgesproken en de echtscheidingsbeschikking ingeschreven.
Vorderingen
3.2
In deze rechtszaak heeft de vrouw verzoeken gedaan die ertoe strekken dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld. De man wil ook dat de gemeenschap wordt verdeeld, maar op andere wijze.
4.
Beslissingen van het Gerecht
4.1
Het Gerecht heeft de gemeenschap als volgt verdeeld (in Nederlands-Antilliaanse guldens, tenzij anders vermeld; het Hof nummert de posten ambtshalve als de posten 1 tot en met 28):
[volgt een tabel met 28 posten, weggelaten in de geanonimiseerde versie]
4.2
Bij het bestreden eindvonnis heeft het Gerecht de man veroordeeld om ten titel van overbedeling aan de vrouw te betalen: NAf 12.580 en € 6.732,88. Het Gerecht heeft de vrouw veroordeeld om voor de [auto] (het Hof nummert deze post ambtshalve als post 29) aan de man te betalen: NAf 55.000 minus de helft van het totaal van NAf 531,46 en € 93,64.
Beoordeling door het Hof
4.3
De akte van appel en de memorie van grieven zijn op 9 februari 2022 betekend. De memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, is op 23 maart 2022 per mail ingediend. Dat is tijdig. Het Hof zal dat gedingstuk dus in de beoordeling betrekken.
4.4
In het midden kan blijven of het Gerecht had behoren terug te komen van oordelen die in de tussenvonnissen gegeven zijn. Hetgeen in de memories van grieven en antwoord over en weer is aangevoerd, is gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep in elk geval niet te laat om door het Hof in de beschouwing te worden betrokken. Hetgeen daarna nog is aangevoerd, kan ook in de beschouwing worden betrokken, voor zover de eisen van een goede procesorde zich daartegen niet verzetten, hetgeen in het algemeen geldt voor preciseringen van eerdere betogen en betogen die in het verlengde van eerdere betogen liggen. Bij verdelingen speelt een rol dat indien een of meer goederen zijn overgeslagen, dit alleen ten gevolge heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd (art. 3:179 lid 2 BW Pro).
4.5
In de gedingstukken in hoger beroep heeft het Hof nog de volgende mogelijke bestanddelen aangetroffen (het Hof nummert door):
30. belastingaanslagen [onroerende-zaakbelasting] (memorie van grieven, grief 4) (desgewenst kan dit geschilpunt behandeld worden bij post 3).
(het geschilpunt over de betekeningskosten, genoemd onder 38-39 memorie van grieven kan behandeld worden bij de posten 14 en 15).
(het geschilpunt over de eigenaarslasten, grief B van de man, kan behandeld worden bij de posten 25 en 30).
31. [ risicoverzekering] (akte vrouw van 29 augustus 2023)
32. [ levensverzekering] (akte vrouw van 29 augustus 2023).
4.6
Om een ordelijke beoordeling mogelijk te maken, zal het Hof de zaak naar de rol verwijzen voor gelijktijdige akten. Daarbij gelden de volgende instructies (4.6.1-4.6.4).
4.6.1
Beide partijen dienen in hun akte hun volledige standpunt over de bestanddelen 1 tot en met 32 te geven. De volgorde van de volgnummers moet worden aangehouden. Niet mag worden volstaan met een verwijzing naar eerdere processtukken. Eerder in het geding gebrachte producties hoeven niet opnieuw in het geding te worden gebracht. Verwijzingen ernaar moeten wel duidelijk en specifiek zijn. Bij ieder bestanddeel dient het betoog in de akte uit te monden in een ondubbelzinnige conclusie over aan wie het bestanddeel moet worden toebedeeld en welke waarde aan het bestanddeel moet worden toegekend, geheel doorgerekend tot een enkelvoudig geldbedrag per bestanddeel.
4.6.2
Partijen dienen er rekening mee te houden dat er na de aktewisseling geen gelegenheid meer zal worden geboden om producties in het geding te brengen en dat het Hof ook geen opdracht aan (weder)partijen of aan derden zal verstrekken om producties in het geding te brengen. Iedere partij moet eventueel ontbrekende informatie dus zo goed mogelijk zelf aanvullen, desnoods door middel van schattingen.
4.6.3
Als er nog bestanddelen zijn die het Hof niet heeft genoemd, kan er worden doorgenummerd na 32.
4.6.4
De akten van partijen dienen uit te monden in een eenduidige berekening van het overbedelingsbedrag dat resteert als alle bestanddelen in aanmerking worden genomen overeenkomstig het standpunt van de partij.
4.7
Indien partijen zich niet aan deze instructies houden, kan het Hof daaraan de gevolgtrekking verbinden die het geraden voorkomt.
4.8
Peildatum voor de omvang van de gemeenschap is [datum] 2014, de datum van het echtscheidingsverzoek. Peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum van de uitspraak van het Hof. Partijen kunnen afwijking van dit uitgangspunt overeenkomen. Ook uit de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken.
4.9
Er zal gelegenheid worden geboden voor antwoordakten. Indien partijen menen dat een mondelinge behandeling nuttig is, kunnen zij om een mondelinge behandeling verzoeken in de antwoordakten. Het Hof zal die verzoeken dan beoordelen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 8 oktober 2024 voor gelijktijdige akten aan beide zijden, waarna gelegenheid zal worden geboden voor antwoordakten;
houdt ieder verder oordeel aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.