Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De procedure bij het Gerecht
4.De beoordeling
De slotsom
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Partijen zijn in 2011 getrouwd in gemeenschap van goederen en hebben sinds 2016 een gehandicapt pleegkind bij zich, waarvoor de vrouw de zorg draagt. Na hun scheiding heeft de man verzocht om partneralimentatie, welke door het Gerecht op AWG 1.400 werd vastgesteld. De man ging hiertegen in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de alimentatieduur en het bedrag te hoog waren, mede omdat de vrouw in Colombia woont waar de kosten lager zijn.
Het Hof oordeelde dat de zorg voor het gehandicapte pleegkind een bijzondere omstandigheid is die de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie beïnvloedt. Hoewel het pleegkind niet is geadopteerd en de man geen onderhoudsplicht heeft, blijft de gezamenlijke verantwoordelijkheid relevant. De vrouw woont sinds 2017 in Colombia, waar de kosten lager zijn, en de behoefte werd vastgesteld op AWG 600 per maand.
De vrouw kan door de zorg voor het kind beperkt betaald werk verrichten, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De man heeft zijn draagkracht onvoldoende betwist. Het Hof stelde daarom de alimentatie vast op AWG 600 per maand tot 1 april 2024, waarna de verplichting op nihil wordt gesteld, omdat de vrouw geacht wordt dan zelf in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Het hoger beroep werd gedeeltelijk toegewezen, de eerdere beschikking vernietigd en de alimentatieverplichting aangepast. Proceskosten werden niet toegewezen gezien de eerdere huwelijkssituatie.
Uitkomst: De man moet AWG 600 per maand partneralimentatie betalen tot 1 april 2024, daarna vervalt de verplichting.