1. gedaagde sub a (dat is [appellant 1], opmerking Hof) huurt sedert 1 april 1975 van eiseres (dat is de stichting, opmerking Hof) een perceel grond voor het daarop hebben van een weekendhuis – tussen partijen bekend als [kavel x4] (…) – tegen een huurprijs van f. 700,-- per jaar plus een jaarlijkse bijdrage van f. 50,-- voor de aanleg en de onderhoud van de wegen.
2. (…) de huurovereenkomst geeft [passage weggevallen, opmerking Hof] boten en om daartoe één aanlegsteiger te bouwen aan het gehuurde, althans (zoals in casu met de kennelijke instemming van eiseres) aan het terrein van eiseres, omdat immers [kavel x4] niet aan het water grenst; voorts geeft de overeenkomst aan gedaagde sub a (en de zijnen) recht van toegang tot het gehuurde;
3. vanaf 22 november 1963 huurde de vader van gedaagden, wijlen de heer J. [appellant 1], van eiseres (…) [kavel x1]; daarop richtte hij een weekendhuis op en daarnaast bouwde hij in het Spaanse Water tegen dat kavel aan een steiger met botenhuis; na het overlijden van de heer [appellant 1] voornoemd, is door de erven (…) met instemming van eiseres (…) de huur (met de eigendom van het weekendhuis) aan een derde overgedragen; niet aan die derde werd evenwel overgedragen de eigendom van bedoelde steiger met botenhuis en derhalve ook niet het recht der erven [appellant 1] op deze aanlegplaats aan en dat van toegang daarheen over het terrein van eiseres voor welke rechten tot op heden door de erven [appellant 1] een jaarlijkse vergoeding van f. 300,-- plus een jaarlijkse bijdrage van f. 50,-- als sub 1 vermeld wordt betaald;
4. evenvermelde steiger met botenhuis is gebouwd op palen, staande in (de ondergrond van) een perceel water ter grootte van 39 m2, deel uitmakende van het Spaanse Water, zijnde domeinwater, in eigendom toebehorende aan de rechtspersoon de Nederlandse Antillen (het Land); bij Landsbesluit van 9 april 1975 no. 2 heeft de Gouverneur de Directeur van het Departement van Financiën gemachtigd om namens het Land met gedaagde sub b een overeenkomst van huur en verhuur met betrekking tot bedoeld perceel domeinwater tegen een jaarlijkse vergoeding van f. 169,- aan te gaan, zulks onder meer onder de voorwaarde dat het aan de huurder is toegestaan om een aanlegsteiger annex botenhuis – bij Landsbesluit van 16 maart 1976 no. 3 gewijzigd in: weekendhuis – aan te leggen en te hebben in het betreffende perceel domeinwater;
5. gedaagden zijn thans doende om over evenvermelde steiger heen een opstal op te trekken, rustende op betonnen pijlers, staande in bedoeld perceel domeinwater en het is deze bouw, welke eiseres jegens zichzelve onrechtmatig acht en waarvan zij thans de onverwijlde stopzetting vordert.
Het is naar ons voorlopig oordeel in het licht van de hiervoor onder 1 tot en met 4 gestelde vaststaande feiten aanstonds duidelijk dat de door eiseres gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking komen, noch wegens beweerdelijk onrechtmatig handelen, noch ook – naar wij ambtshalve hieraan toevoegen – wegens wanprestatie door gedaagden of één hunner.
Gedaagden bouwen immers niet op het van eiseres gehuurde terrein ([kavel x4]), maar in het aan de plantage van eiseres grenzende en aan het Land in eigendom toebehorende domeinwater. Daartoe behoefden gedaagden dan ook geen toestemming van eiseres. In ieder geval behoefden zij die toestemming niet uit hoofde van het door eiseres in haar inleidend verzoekschrift aangedragen en hiervoor onder 2 bedoeld huurcontract met betrekking tot [kavel x4], immers noch op noch aan dat kavel bouwen gedaagden de onderhavige opstal. Evenmin behoefden zij toestemming op grond van de tussen hen en de andere erven [appellant 1] enerzijds en eiseres anderzijds thans – na de overname van het huurcontract met betrekking tot [kavel x1] door een derde, waardoor de rechtsverhouding tussen partijen werd genoveerd – ontstane nieuwe overeenkomst. Deze nieuwe, blijkbaar niet in de vorm van een contract vastgelegde overeenkomst geeft – zoals hiervoor onder 3 feitelijk is vastgesteld – aan gedaagden tegen betaling van f. 350,-- per jaar het recht op een aanlegplaats aan en het recht van toegang daarheen over de plantage van eiseres en niet valt in te zien dat de erven [appellant 1] door die nieuwe overeenkomst jegens eiseres zijn gehouden om zich te onthouden van het oprichten van enig bouwwerk op een aan bedoelde aanlegplaats en aldus aan de plantage van eiseres aangrenzend, aan een derde toebehorend onroerend goed.
Tenslotte valt in het geheel niet in te zien waarom gedaagden, afgezien van laatstbedoelde overeenkomst, onrechtmatig jegens eisers zouden handelen. Zij zijn immers in beginsel – behoudens bijvoorbeeld hinder of overlast aan eiseres zelve, waaromtrent is gesteld noch gebleken – vrij om in het door hen daartoe van het Land gehuurde perceel domeinwater te bouwen en zij betalen voor het recht van toegang naar dat water een vergoeding aan eiseres, terwijl gedaagde sub a bovendien [kavel x4] cum annexis huurt, en zij behoefden derhalve van eiseres geen bijzondere toestemming voor het vervoer over haar plantage van bouwmateriaal en werklieden, behoudens afwijkend beding, waaromtrent evenmin is gesteld of gebleken.