Uitspraak
Uitspraak
Panama
1.Procesverloop
2.Feiten
In aanmerking nemende dat:
3.Geschil in hoger beroep
4.Uitspraak van het Gerecht
5.Beoordeling van het geschil
6.Proceskosten
7.Beslissing
bevestigtde uitspraak van het Gerecht.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2006, waarbij een bedrag van Afl. 1.200.000 aan pensioenverplichtingen werd toegevoegd aan het belastbaar inkomen. Deze aanslag werd in eerste aanleg door het Gerecht ongegrond verklaard. In hoger beroep stond centraal of de navorderingsaanslag terecht en tijdig was opgelegd en of belanghebbende te kwader trouw was.
Feiten wezen uit dat belanghebbende en zijn echtgenote pensioenrechten hadden opgebouwd bij [Q] NV, welke per 3 oktober 2006 werden overgedragen aan een Stichting waarvan belanghebbende enig bestuurder was. Belanghebbende had in zijn aangifte IB 2006 niet aangegeven dat sprake was van afkoop van pensioen, terwijl volgens het Hof aannemelijk was dat hij al bij het doen van die aangifte niet voornemens was de pensioenregeling regulier uit te voeren en de gelden feitelijk had opgenomen.
De Inspecteur had de navorderingsaanslag binnen de verlengde termijn van tien jaar opgelegd vanwege kwade trouw. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd dat hij zijn verplichtingen uit hoofde van de overdracht was nagekomen en had ook niet voldaan aan verzoeken om inzage in de administratie van de Stichting. Het Hof oordeelde dat de navorderingsaanslag tijdig en terecht was opgelegd en bevestigde het oordeel van het Gerecht dat sprake was van een belaste afkoop van pensioen en kwade trouw van belanghebbende.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2006 wegens belaste afkoop pensioen en verklaart het hoger beroep ongegrond.