ECLI:NL:OGHACMB:2022:28

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
13 april 2022
Zaaknummer
CUR2020H00003
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling tot betaling wegens onterecht gegeven opdrachten en onjuiste declaraties

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of appellanten terecht declaraties aan BZV hadden ingediend voor opdrachten die onterecht waren gegeven. Het Hof constateerde dat appellanten geen begin hadden gemaakt met het beantwoorden van vragen en opdrachten uit het tussenvonnis en dat zij onvoldoende betwistingen hadden ingebracht tegen de gestelde feiten.

Het Hof oordeelde dat de offertes waren gebaseerd op een uurtarief en dat appellanten geen degelijke urenadministratie hadden bijgehouden. De verklaring voor het verschil tussen winstbelasting en omzet werd als onvoldoende en ongedocumenteerd beoordeeld. Het bewijsaanbod van appellanten werd als te laat en niet relevant afgewezen.

Gelet op artikel 128 lid 1 Rv Pro werden de door BZV gestelde feiten als vaststaand aangenomen. Het Hof vernietigde het bestreden vonnis in conventie en wees de vorderingen van BZV toe, waarbij appellanten hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van aanzienlijke bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en kosten van het geding. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Appellanten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van aanzienlijke bedragen aan BZV wegens onterecht gegeven opdrachten en onjuiste declaraties.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2022 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR201800862 – CUR2020H00003
Uitspraak: 25 januari 2022 (bij vervroeging)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:

1.ACCOUNTANTSKANTOOR [appellant 1] B.V.,

te Curaçao,
oorspronkelijk medegedaagde en tevens eiseres in reconventie, thans medeappellante in principaal appel en medegeïntimeerde in incidenteel appel,
2. [appellant 2],
te Curaçao,
oorspronkelijk medegedaagde, thans medeappellant in principaal appel en medegeïntimeerde in incidenteel appel,
gemachtigde voor beide: mr. S.M. Saleh,
tegen
de stichting
STICHTING BURO ZIEKTEKOSTENVOORZIENINGENin liquidatie,
gevestigd in Curaçao,
hierna te noemen: BZV,
oorspronkelijk eiseres in conventie en verweerster in reconventie, thans geïntimeerde in principaal appel en appellante in incidenteel appel,
gemachtigden: mr. P. van de Laarschot en – in Nederland – R.P.J.L. Tjittes en H. Boom.
Partijen worden hierna genoemd enerzijds: [appellanten] c.s. of afzonderlijk [appellant 1] BV en [appellant 2], anderzijds: BZV.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 24 augustus 2021.
1.2. [
[appellanten] c.s. hebben op 23 november 2021 een akte na tussenvonnis genomen.
1.3.
BZV heeft op 21 december 2021 een antwoordakte na tussenvonnis genomen.
1.4.
Vonnis is, bij vervroeging, bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1. [
[appellanten] c.s. hebben zelfs geen begin gemaakt met het beantwoorden van en het voldoen aan de door het Hof in het tussenvonnis gestelde vragen en gegeven opdrachten.
2.2.
Mede daarom wordt geen verder uitstel toegestaan. Bovendien loopt deze procedure al bijna drie jaren en al vanaf augustus 2013 wisten [appellanten] c.s. dat hun declaraties bij BZV in onderzoek waren en dat BZV informatie wilde. [appellanten] c.s. konden redelijkerwijs al lang zijn begonnen met het verzamelen van materiaal.
2.3.
Het Hof legt de offertes zo uit dat deze uitgingen van een uurtarief, nu deze zijn gebaseerd op het voortgang van het werk en dus op basis van het aantal uren dat is besteed aan een opdracht. Maar zelfs al zouden gefixeerde prijzen zijn overeengekomen, dan behoorden [appellanten] c.s. een behoorlijke administratie te houden van de gemaakte uren. [appellanten] c.s. hebben kennelijk in het geheel geen administratie ter zake gehouden.
2.4.
De verklaring van [appellanten] c.s. voor het verschil tussen de lage winstbelasting en de hoge omzet houdt in dat hij “bepaalde reserves” hield die de winst drukten en dat er een zware belastingaanslag ligt in verband met het inhuren van derden. Dit is geen afdoende verklaring voor het door het Hof aangestipte verschil tussen belasting en omzet, zoals uit de jaarrekening blijkt. Verder gaat het om ongedocumenteerde blote stellingen.
2.5.
Artikel 128 lid Pro 1, tweede zin, Rv bepaalt dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende betwist, de rechter als vaststaand beschouwt. De betwisting door [appellanten] c.s. in deze zaak is onvoldoende.
2.6.
Het door [appellant 2] bij akte geformuleerde bewijsaanbod wordt gepasseerd. Het is tardief, niet voldoende specifiek en niet ter zake dienend.
2.7.
Dit betekent dat de vorderingen van BZV in conventie geheel moeten worden toegewezen, met vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre. Het vonnis in reconventie moet worden bevestigd. [appellant 2] draagt de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.

3.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt het bestreden vonnis in conventie, en doet, het vonnis in reconventie bevestigend, opnieuw recht:
- veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk tot betaling aan BZV van:
 een bedrag van NAf 2.179.587,50 ter zake van de onder randnummer 106 van de
memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel + grieven tevens akte houdende wijziging c.q. vermeerdering van eisgenoemde posten b t/m n, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (19 maart 2018) tot de dag der algehele voldoening;
 een bedrag van NAf 754.125,- ter zake van de vermeerdering van eis voor de niet in eerste aanleg genoemde projecten (genoemd in randnummer 143-145 t.a.p.) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (19 maart 2018) tot de dag der algehele voldoening;
 een bedrag van NAf 362.606,87 ter zake van kantoorkosten en omzetbelasting over de bedragen genoemd hiervoor;
- veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk tot betaling aan BZV van een bedrag van NAf 870.677,64, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding (19 maart 2018) tot de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden begroot voor de eerste aanleg in conventie op NAf 10.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 8.451,12 aan verschotten en voor het hoger beroep op NAf 36.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 951,12 aan verschotten;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, F.W.J. Meijer en Th.G. Lautenbach, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en is, door mr. Meijer ondertekend, ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 25 januari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.