Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van de tenlastelegging onder parketnummer 400.00107/20 en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, voor het onder parketnummer 400.00100/17 ten laste gelegde.
De officier van justitie stelde hoger beroep in tegen de vrijspraak, maar niet tegen de veroordeling. Het Hof beperkte zich daarom tot de beoordeling van het vonnis betreffende parketnummer 400.00107/20. Na onderzoek en het horen van partijen bevestigde het Hof het vonnis van het Gerecht, met een verbetering van de motivering omtrent de vrijspraak.
De vrijspraak werd gehandhaafd omdat het Hof niet kon vaststellen dat de verdachte wist of moest weten van de overval op de geldlopers, ondanks gesprekken over wapens, munitie en het gebruik van een auto mogelijk betrokken bij de overval. Hierdoor ontbrak de vereiste dubbele opzet voor medeplichtigheid. Tevens werden de vorderingen tot schadevergoeding deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.
Het vonnis werd op 24 juni 2022 uitgesproken door het Hof in Curaçao, met aanwezigheid van de griffier en een directe verbinding met Bonaire. Een van de rechters was buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.