Uitspraak
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
OVERWEGENDE,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De appellant trad in 2012 in dienst van het Land Aruba op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst gekoppeld aan de regeerperiode van het kabinet Mike Eman I. Na een overplaatsing en een nieuwe overeenkomst in 2014, liep het dienstverband door tot na het aftreden van het kabinet Mike Eman II in november 2017. Hoewel het dienstverband niet schriftelijk werd verlengd, bleef appellant doorwerken en werd zijn loon doorbetaald tot 31 oktober 2019, zoals vermeld op zijn loonstroken.
Het Land stelde dat appellant door zijn gedragingen, waaronder het zonder protest doorwerken ondanks een nieuwe einddatum op de loonstroken en de wettelijke beperking van vijf jaar voor privaatrechtelijke overeenkomsten, instemde met het einde van het dienstverband op 1 november 2019. Het Hof vond dit gerechtvaardigd, mede gelet op de salarisaanpassing en het traject om appellant tot ambtenaar in vaste dienst te benoemen, dat uiteindelijk niet doorging vanwege het niet voldoen aan antecedentenonderzoek.
Het verzoek van appellant om het dienstverband voort te zetten, loon door te betalen en wedertewerkstelling werd afgewezen. Het Hof bevestigde de eerdere beschikking en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege op 1 november 2019; het verzoek tot voortzetting en loonbetaling wordt afgewezen.