De man en vrouw, gehuwd in gemeenschap van goederen sinds 1990 en zonder kinderen, zijn bij beschikking van 23 juni 2020 gescheiden. De vrouw verzocht om partneralimentatie van US$ 1.800 per maand, waarop het Gerecht in eerste aanleg de man veroordeelde tot betaling van US$ 853 per maand vanaf 1 december 2020.
Beide partijen gingen in hoger beroep: de man verzocht om verlaging tot nihil of US$ 200, de vrouw om verhoging tot US$ 1.800. Het Hof behandelde de zaak op 27 augustus 2021 en nam nadere producties in overweging. De vrouw gaf een behoefte op van US$ 1.585, gebaseerd op haar inkomen minus lasten, maar het Hof achtte dit deels onvoldoende aannemelijk.
Het Hof beoordeelde de kostenposten van de vrouw, waaronder huur, nutsvoorzieningen en overige uitgaven, en stelde haar behoefte vast op US$ 1.509 minus haar inkomen van US$ 646, wat resulteert in een behoefte van US$ 863. Het inkomen en de draagkracht van de man werden vastgesteld op US$ 2.632,85 en US$ 1.334,34 respectievelijk. Het Hof verhoogde de alimentatie licht naar US$ 863 per maand, bevestigde de ingangsdatum van 1 december 2020 en wees de kostenveroordeling af.