ECLI:NL:OGHACMB:2021:400

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
24 november 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
CUR2021H00193, CUR2021H00256 t/m CUR2021H00269
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing van verklaringen van niet verzekerd zijn door de Sociale Verzekeringsbank Curaçao

In deze zaak gaat het om hoger beroep tegen de afwijzing van verzoeken om een verklaring van niet verzekerd zijn voor het jaar 2018 door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) Curaçao. De appellanten, allen werkzaam bij Baker Tilly Dutch Caribbean, hebben in 2018 een aanvraag ingediend voor een verklaring van niet verzekerd zijn, maar deze zijn door de SVB afgewezen. De SVB stelde dat de appellanten niet voldeden aan de voorwaarden van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (Lbz) en dat zij niet in aanmerking kwamen voor het buitenwettelijk begunstigend beleid dat eerder gold. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde de beroepen van de appellanten ongegrond, waarop zij hoger beroep instelden.

Tijdens de zitting op 20 oktober 2021 werd de zaak behandeld. De appellanten betoogden dat het buitenwettelijk begunstigend beleid niet per 16 juli 2018 was ingetrokken, maar pas per 1 januari 2019, en dat zij recht hadden op de verklaring van niet verzekerd zijn. Het Hof oordeelde dat de SVB de beleidswijziging niet correct had toegepast en dat de appellanten, gezien hun situatie, wel degelijk recht hadden op de verklaring. Het Hof vernietigde de eerdere uitspraak en verklaarde de hoger beroepen gegrond, waarbij het de SVB opdroeg om de gevraagde verklaringen te verlenen.

De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de SVB om consistent en transparant te zijn in de toepassing van het beleid en de wetgeving, en bevestigt het recht van de appellanten op een verklaring van niet verzekerd zijn voor de periode waarin zij dat hadden aangevraagd. De SVB werd ook verplicht om de griffierechten te vergoeden aan de appellanten.

Uitspraak

CUR2021H00193, CUR2021H00256, CUR2021H00257, CUR2021H00258, CUR2021H00259, CUR2021H00260, CUR2021H00261, CUR2021H00262, CUR2021H00263, CUR2021H00264, CUR2021H00265, CUR2021H00266, CUR2021H00267, CUR2021H00268 en CUR2021H00269
Datum uitspraak: 24 november 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. appellant sub 1],
2. [ appellant sub 2],
3. [ appellant sub 3],
4. [ appellant sub 4],
5. [ appellant sub 5],
6. [ appellant sub 6],
7. [ appellant sub 7],
8. [ appellant sub 8],
9. [ appellant sub 9],
10. [ appellant sub 10],
11. [ appellant sub 11],
12. [ appellant sub 12],
13. [ appellant sub 13],
14. [ appellant sub 14],
15. [ appellant sub 15],
allen wonend in Curaçao (hierna gezamenlijk: [appellanten]),
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van
12 mei 2021 in zaak nrs. CUR201901276, CUR201901277, CUR201901278, CUR201901279, CUR201901280, CUR201901281, CUR201901282, CUR201901283, CUR201901284, CUR201901285, CUR201901286, CUR201901287, CUR201901288, CUR201901289 en CUR201901290, in het geding tussen:
appellanten
en
de Sociale Verzekeringsbank Curaçao (hierna: de SVB)

Procesverloop

Bij beschikkingen van onderscheidenlijk 17, 22 en 23 januari 2019 heeft de SVB de verzoeken van [appellanten] om een verklaring van niet verzekerd zijn voor het jaar 2018, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 mei 2021 heeft het Gerecht de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroepen ingesteld.
De SVB heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 20 oktober 2021.
[appellanten], vertegenwoordigd door mr. A.A. Finessi, vergezeld door [appellant sub 4], beiden werkzaam bij Baker Tilly Dutch Caribbean, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia en mr. N. Dare, beiden werkzaam bij de SVB, zijn verschenen.

Overwegingen

Artikel 2.1 van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (hierna: de Lbz), voor zover hier van belang, luidt:
"1. Verzekerd ingevolge deze landsverordening is degene, die ingezetene is.
2. In afwijking van het eerste lid zijn niet verzekerd de navolgende categorieën:
a. zij die bij inwerkingtreding van deze landsverordening tegen ziektekosten bij een verzekeringsbedrijf als bedoeld in de Landsverordening Toezicht verzekeringsbedrijf of een buitenlands verzekeringsbedrijf met wereldwijde dekking tegen ziektekosten verzekerd zijn, alsmede de met hen meeverzekerde gezinsleden en nagelaten betrekkingen, mits die verzekeringen minstens dezelfde dekking bieden als bij of krachtens deze landsverordening bepaald;
[...]
4. [...] Onverminderd de vorige volzinnen van dit artikellid, geeft de Uitvoeringsorganisatie op verzoek van degene die kan aantonen op grond van dit artikel niet verzekerd te zijn, een verklaring af van het niet verzekerd zijn. De betrokkene dient binnen de eerste drie maanden van elk kalenderjaar aan te tonen dat hij al dan niet verzekerd is.
[...]".
[Appellanten] zijn werkzaam bij Baker Tilly Dutch Caribbean (hierna: BT) en zijn tussen 1 mei 2015 en 15 augustus 2018 in vaste dienst getreden. Met ingang van 1 december 2018 waren zij op basis van een particuliere collectieve ziektekostenverzekering van BT verzekerd. Op 28 december 2018 hebben zij de SVB verzocht om een verklaring van niet verzekerd zijn voor het jaar 2018. Aan de afwijzing van die verzoeken heeft de SVB ten grondslag gelegd dat zij niet voldoen aan de uitzonderingsgronden in artikel 2.1, tweede lid, van de Lbz en dat zij niet (meer) in aanmerking komen voor het buitenwettelijk begunstigend beleid van de SVB.
Het Gerecht heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellanten] niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden om te worden uitgezonderd van de Lbz, maar dat [appellanten] vinden dat zij aanspraak kunnen maken op het buitenwettelijk begunstigend beleid van de SVB. Ten tijde van hun aanvraag van 28 december 2018 had de SVB dat beleid al zodanig beperkt dat uitsluitend de belangen worden geëerbiedigd van degenen die reeds een verklaring van niet verzekerd zijn hebben verkregen op basis van een vóór 16 juli 2018 - de datum waarop de wijziging van het buitenwettelijk begunstigend door de SVB is aangekondigd - afgesloten collectieve verzekering. Daarvan is bij [appellanten] geen sprake. Hun gevallen zijn dan ook anders dan de door hen genoemde gevallen. De SVB heeft het buitenwettelijk begunstigend beleid daarom consistent toegepast, aldus het Gerecht.
[Appellanten] betogen in de eerste plaats dat het buitenwettelijk begunstigend beleid niet per 16 juli 2018 is ingetrokken, maar pas per 1 januari 2019. Het Gerecht heeft dat ten onrechte niet onderkend.
4.1.
Bij brief van 16 juli 2018 heeft de SVB een brief aan alle werkgevers gestuurd waarin onder meer het volgende is vermeld:
"De Landsverordening bvz is per 1 november 2014 gewijzigd. SVB heeft sinds het jaar 2016 het beleid gehanteerd, dat de persoon die vanaf de datum van die wijziging van de Landsverordening bvz in dienst treedt bij een werkgever met een collectieve ziektekostenverzekering, daardoor een verklaring van niet verzekerd kan krijgen (als er geen andere redenen zijn om die persoon een verklaring van niet verzekerd zijn te verstrekken).
Dat beleid is recentelijk door het Gerecht in Eerste Aanleg als buitenwettelijk beoordeeld; het staat niet in de Lbz. De SVB dient zich strikt te houden aan de wet en trekt daardoor hierbij vorenvermeld beleid in. Deze intrekking geschiedt, rekening houdende met de belangen van alle betrokkenen, per 1 januari 2019, en heeft geen terugwerkende kracht ten nadele van de betrokkenen."
4.2.
Anders dan het Gerecht is het Hof - met [appellanten] - van oordeel dat de in deze brief aangekondigde beleidswijziging niet anders kan worden begrepen dan dat de SVB het buitenwettelijk begunstigend beleid per 1 januari 2019 niet meer toepast. Die uitleg blijkt ook uit een email van de adjunct-directeur van de SVB van 2 januari 2019 over de beleidswijziging. Daarin is onder meer opgenomen:
"Derhalve zal de SVB met ingang van 1 januari 2019 geen ontheffing meer toekennen aan werknemers die in dienst treden bij een werkgever met een particuliere collectieve ziektekostenverzekering [...]".
Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de SVB bedoeld heeft het buitenwettelijk begunstigend beleid niet meer toe te passen per de datum van de brief van 16 juli 2018.
4.3.
Vaststaat dat [appellanten] na wijziging van de Lbz in vaste dienst zijn getreden bij BT, dat zij in ieder geval per 1 december 2018 waren verzekerd bij de collectieve ziektekostenverzekering van BT en dat zij hun aanvraag voor een verklaring van niet verzekerd zijn nog vóór het ingaan van de beleidswijziging op 1 januari 2019 hebben ingediend. Derhalve volgt uit een consequente toepassing van het buitenwettelijk begunstigend beleid van de SVB dat [appellanten] aanspraak konden maken op een verklaring van niet verzekerd zijn. Het Gerecht heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.
5. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof de beroepen gegrond verklaren en de bestreden beschikkingen vernietigen. Het Hof zal zelf in de zaken voorzien en de door [appellanten] verzochte verklaringen aan hen verlenen. De SVB moet daaraan vervolgens feitelijk uitvoering geven.
6. Er is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat de SVB geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
verklaartde hoger beroepen
gegrond;
II.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 12 mei 2021 in zaak nrs. CUR201901276, CUR201901277, CUR201901278, CUR201901279, CUR201901280, CUR201901281, CUR201901282, CUR201901283, CUR201901284, CUR201901285, CUR201901286, CUR201901287, CUR201901288, CUR201901289 en CUR201901290;
III.
verklaartde in die zaken ingestelde beroepen
gegrond;
IV.
vernietigtde beschikkingen van de Sociale Verzekeringsbank Curaçao van 17 januari 2019, kenmerken [kenmerken], van 22 januari 2019, kenmerken [kenmerken], en van 23 januari 2019, kenmerk [kenmerk];
V.
verleentaan [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14] en [appellant sub 15] een verklaring van niet verzekerd zijn voor december 2018, zoals door hen verzocht bij aanvraag van 28 december 2018;
VI.
bepaaltdat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder IV vernietigde beschikkingen;
VII.
gelastdat de Sociale Verzekeringsbank Curaçao aan [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14] en [appellant sub 15] het door hen voor de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen betaalde griffierecht van in totaal NA
f2.250,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bijloos
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2021.