ECLI:NL:OGHACMB:2021:394

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 november 2021
Publicatiedatum
17 november 2021
Zaaknummer
CUR2021H00114
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij verblijfsvergunning

Appellante, houdster van de Chinese nationaliteit, had tot 6 juli 2018 rechtmatig verblijf in Curaçao. Zij verzocht op 21 juni 2018 om verlenging van haar tijdelijke verblijfsvergunning als inwonend dienstbode, maar dit verzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van een originele verklaring van de belastingdienst waaruit het belastbaar inkomen van haar werkgever blijkt.

Na een bezwaarprocedure verklaarde het Gerecht in eerste aanleg het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de zitting verklaarde haar gemachtigde dat appellante sinds 2019 in China verblijft en niet is teruggekeerd naar Curaçao, mede door de coronapandemie.

Het Hof oordeelde dat appellante geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Een gegrond beroep zou slechts leiden tot rechtmatig verblijf tot 6 juli 2019, waarna een verblijfsgat zou ontstaan omdat geen nieuwe aanvraag is ingediend. Hierdoor kan appellante door het hoger beroep niet in een gunstiger positie komen. Daarom verklaarde het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.

Uitspraak

CUR2021H00114
Datum uitspraak: 10 november 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonende in Curaçao,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 5 maart 2021 in zaak nr. CUR201903718, in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft de minister een verzoek van [appellante] om aan haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als doel arbeid in loondienst als inwonend dienstbode, afgewezen.
Bij beschikking van 3 juli 2019 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 maart 2021 heeft het Gerecht het door [appellante] tegen de bestreden beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2021. [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.J. Henriquez, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.M. Pietersz en A. Zimmerman, beiden werkzaam bij de Toelatingsorganisatie, zijn verschenen.

Overwegingen

[appellante] is in het bezit van de Chinese nationaliteit en had tot en met 6 juli 2018 rechtmatig verblijf in Curaçao. Op 21 juni 2018 heeft zij de minister verzocht haar vergunning tot tijdelijk verblijf opnieuw te verlengen met als verblijfsdoel arbeid in loondienst als inwonend dienstbode. Dit verzoek is door de minister afgewezen omdat [appellante] geen originele verklaring van de belastingdienst heeft overgelegd waaruit blijkt dat haar werkgever in 2016 een belastbaar inkomen had van tenminste NA
f36.000,-.
Het Hof overweegt ambtshalve het volgende. Ter zitting heeft de gemachtigde van [appellante] desgevraagd verklaard dat [appellante] sinds 2019 in China verblijft en sindsdien niet meer is teruggekeerd naar Curaçao, mede wegens de coronapandemie. Het Hof is niet gebleken van een nog rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De gestelde omstandigheid dat dat belang is gelegen in het voorkomen van een verblijfsgat kan niet leiden tot een ander oordeel. Een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt, zoals ook door de minister ter zitting is verklaard, verleend voor de duur van een jaar. Een gegrond hoger beroep en een inwilliging van de aanvraag zou er slechts toe kunnen leiden dat [appellante] tot en met 6 juli 2019 rechtmatig verblijf verkrijgt. Nu van het indienen van een nadere aanvraag om haar daarna nog verder verblijf toe te staan niet is gebleken, betekent dat ongeacht de uitkomst van deze procedure in hoger beroep een verblijfsgat is ontstaan. Onder deze omstandigheden kan [appellante] door de uitkomst van het hoger beroep niet in een gunstiger positie geraken.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel w.g. Van der Heide
voorzitter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2021.