De zaak betreft hoger beroep tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarbij de verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens het vragen van steekpenningen in het kader van een aanbesteding voor de raffinaderij van Curaçao.
Het Hof heeft de vordering van de procureur-generaal tot verlaging van de straf naar 24 maanden afgewezen en het vonnis van het Gerecht bevestigd. De straf is passend vanwege het ernstige maatschappelijke ontwrichtende karakter van het bewezen feit, waarbij de verdachte en mededaders buiten het officiële aanbestedingsproject om miljoenen aan steekpenningen hebben gevraagd, wat heeft geleid tot het terugtrekken van een serieuze kandidaat.
Daarnaast heeft het Hof de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen aangevuld en verbeterd, en het verweer van de verdachte dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden door het weigeren van een advocaat uit Nederland verworpen. De verdachte was adequaat bijgestaan door een advocaat uit Curaçao.
Het Hof concludeert dat de veroordeling en straf passend zijn, mede gelet op de negatieve gevolgen voor het imago van Curaçao en de belangen van het land en haar burgers bij de exploitatie van de raffinaderij.