De verdachte werd door het Gerecht in eerste aanleg veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van omkoping bij de aanbesteding van de raffinaderij Curaçao. Hij stelde in hoger beroep dat hij slechts als doorgeefluik fungeerde en niet bewust samenwerkte met de medeverdachten, ambtenaren die steekpenningen vroegen.
Het Hof nam kennis van de pleidooien en bewijsstukken en concludeerde dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig was en niet ondersteund werd door de feiten en bewijsmiddelen. Het verweer dat hij te goeder trouw handelde in uitvoering van een rechtmatig ambtelijk bevel werd eveneens verworpen.
Het Hof benadrukte het ernstige maatschappelijk ontwrichtende karakter van het feit, waarbij de verdachte en mededaders een serieuze kandidaat voor de strategische partnerpositie van de raffinaderij hebben weggejaagd, met negatieve gevolgen voor de economie en het imago van Curaçao.
Gelet op de zwaarte van het delict en de maatschappelijke impact achtte het Hof de opgelegde straf van 30 maanden gevangenisstraf passend en wees de eis van de procureur-generaal tot verlaging van de straf af. Het vonnis van eerste aanleg werd bevestigd met aanvullingen en verbeteringen in de motivering.