ECLI:NL:OGHACMB:2021:285

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
30 augustus 2021
Zaaknummer
SXM2018H00221
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:50 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bepaling erfgrens en beoordeling vermeerderde eis afbraak en herbouw muur

In deze civiele zaak bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba staat een geschil over de exacte ligging van een erfgrens en de gevolgen daarvan centraal. Appellant vordert onder meer dat de geïntimeerden worden veroordeeld tot afbraak en herbouw van een muur op de juiste erfgrens, nadat een illegale bijbouw is verwijderd.

Het Hof heeft een comparitie ter plaatse gehouden en partijen hebben nadien akten ingediend. De geïntimeerden betwisten de ontvankelijkheid van appellant op grond dat de verkeerde personen zijn gedagvaard en dat bepaalde percelen niet relevant zijn voor het geschil. Het Hof oordeelt dat sommige percelen niet relevant zijn voor de ontvankelijkheid of de toewijsbaarheid van de vorderingen, maar laat de discussie over de precieze erfgrens en de vermeerderde eis open.

Het Hof wijst erop dat een landmeter moet worden ingeschakeld om de erfgrens vast te stellen en dat partijen zich nader moeten uitlaten over eigendom en gebruik van de betrokken percelen. Ook wordt vastgesteld dat binnen de grensafstand van twee meter open ramen zijn die uitzicht geven op het buurperceel, hetgeen relevant is voor de beoordeling van de situatie.

De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere aktewisseling en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nadere aktewisseling en onderzoek naar de erfgrens door een landmeter.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:
Registratienummers: SXM201700774 – SXM2018H00221
Uitspraak: 27 juli 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
procederende in persoon,
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van
[OVERLEDENE],
[GEINTIMEERDE 1],
[GEINTIMEERDE 2],
met gekozen woonplaats in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden, thans geïntimeerden,
gemachtigde: [naam 1].
De partijen worden hierna [appellant] en ([geïntimeerden]) Laveist genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 26 juni 2020 waarbij een comparitie van partijen ter plaatse heeft gelast.
1.2
De comparitie ter plaatse heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Daarbij waren aanwezig [appellant] en de gemachtigde [naam 1], later (op het perceel naast dat van [appellant]) in het gezelschap van de heren [naam 2] en [naam 3].
1.3
Partijen hebben ieder nog een akte genomen waarna zij bij antwoordaktes hebben gereageerd.
1.4
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij zijn eerste akte na de comparitie heeft [appellant] zijn eis vermeerderd. Tegen die eiswijziging bestaan uit hoofde van een goede procesorde geen bezwaren en de [geïntimeerden] hebben die ook niet gemaakt. Het Hof zal daarom mede beslissen op dit deel van de eis, dat strekt tot (een veroordeling van de [geïntimeerden] aan de) afbraak en herbouw (naar het Hof vermoedt: op kosten van de [geïntimeerden]) van de muur op de juiste plek van de grens nadat de illegale bijbouw zal zijn afgebroken, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.2
In hun akten na de comparitie hebben de [geïntimeerden] onder meer betoogd dat, zo begrijpt het Hof, [appellant] alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hij de verkeerde personen heeft gedagvaard. De erven van [overledene] hebben, aldus de [geïntimeerden], geen enkele bemoeienis met de percelen [kadastrale aanduiding 1] en [ foute kadastrale aanduiding] (waarmee naar het Hof veronderstelt het perceel [kadastrale aanduiding 2] wordt bedoeld). Het eerstgenoemde perceel [kadastrale aanduiding 1] behoort, zo stellen de [geïntimeerden] onder verwijzing naar twee recente vonnissen van het Hof, aan [naam 4] en het andere ([kadastrale aanduiding 2]) zou volgens de [geïntimeerden] al in 1939 aan [naam 4] zijn toebedeeld bij de verdeling van de nalatenschap van [overledene].
2.3
Het perceel [kadastrale aanduiding 1] ([adres]) heeft echter in het geheel niets met de burenkwestie in deze procedure te maken. Het grenst niet aan de percelen waarvan [appellant], naar niet wordt betwist, rechthebbende is en zelfs niet aan de aangelegen percelen, daarvan is het immers door een onverharde weg ([adres 2]) gescheiden. De eigendom van dit perceel is dus voor de ontvankelijkheid van [appellant] of de toewijsbaarheid van de vorderingen niet van belang. In zoverre gaat het nieuwe verweer dus niet op.
2.4
Het perceel [kadastrale aanduiding 3] lijkt evenmin deel van het geschil te zijn. Onduidelijk is waarom de [geïntimeerden] stellen dat op de comparitie alleen de situatie ter hoogte van dat perceel is bekeken. De indruk bestaat juist dat [appellant] met de bebouwing op dat voorste, aan de [adres] gelegen perceel geen problemen heeft maar dat het hem gaat op de bouwsels die zich - verder naar achteren - bevinden op het huidige perceel [kadastrale aanduiding 4] en het tussen dat perceel en [kadastrale aanduiding 3] gelegen restant van het perceel [kadastrale aanduiding 5]. Mogelijk is ook het perceel dat thans het (meetbrief)nummer [nummer] draagt nog relevant, in die zin dat daar bouwsels gedeeltelijk over de erfgrens staan en die [appellant] hinderen, bij het herbouwen van een muur langs die grens en/of op andere wijze zoals door lekkage of verboden uitzicht op zijn terrein.
2.5 [
appellant] zal worden gevraagd om zich hierover bij akte uit te laten en daarbij ook toe te lichten waarom het volgens hem in deze procedure alleen om de erfgenamen van [overledene] gaat. Voorts wordt hem verzocht de strekking van zijn vermeerderde eis te verduidelijken (zie rov. 2.1) en om aan te geven wat de huidige en de beoogde status is van de strook die op de als productie 4 bij inleidend verzoekschrift is te zien “tussen” de percelen [kadastrale aanduiding 6] en [kadastrale aanduiding 7] enerzijds en de meergenoemde buurpercelen vanaf [kadastrale aanduiding 2] anderzijds, dit zowel wat betreft de eigendom als het gebruik.
2.6
In reactie hierop dienen de [geïntimeerden] zo concreet mogelijk uit te leggen wie (of wiens erfgenamen) eigenaar zijn van de percelen die volgens [appellant] onderwerp zijn van zijn vermeerderde vordering.
2.7
Of op deze percelen over de erfgrens is gebouwd kan het Hof zelf niet
beoordelen. Daarvoor zal een landmeter moeten worden ingeschakeld, waartoe het Hof zal overgaan zodra de bovenstaande kwesties voldoende zijn opgehelderd.
2.8
Wel lijkt - ongeacht de precieze ligging van de erfgrens - duidelijk te zijn dat zich in de gewraakte uitbouw binnen de in artikel 5:50 BW Pro genoemde afstand van twee meter van de grenslijn open ramen bevinden die – over de grensmuur – uitzicht geven op het buurperceel. Dat zich in de nabije toekomst een van de andere in lid 2 genoemde uitzonderingen zal voordoen is niet aannemelijk.
2.9
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor akte en antwoordakte.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus 2021 voor akte aan de kant van [appellant], waarna de [geïntimeerden] een antwoordakte zullen kunnen nemen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, E.A. Saleh en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 27 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.