ECLI:NL:OGHACMB:2021:135
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Toelating tegenbewijs in civiele procedure na bewezenverklaring mishandeling in strafvonnis
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft in deze civiele zaak het bewijs van mishandeling van geïntimeerde door appellant, zoals vastgesteld in een strafvonnis van 8 juli 2020, als dwingend bewijs van onrechtmatige daad en schade aanvaard. Appellant heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan om tegenbewijs te leveren tegen deze vaststelling.
Het Hof verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een bewijsaanbod voor tegenbewijs in hoger beroep niet gespecificeerd hoeft te worden, tenzij het aanvullend bewijs betreft na reeds gehoord getuigenbewijs in eerste aanleg. Aangezien appellant in eerste aanleg geen getuigen heeft gehoord, hoeft zijn bewijsaanbod niet gespecificeerd te worden.
Het Hof besluit appellant toe te laten tegenbewijs te leveren en stelt een datum vast voor het horen van getuigen. Tevens wordt een termijn gesteld voor het indienen van aanvullende stukken. Alle verdere beslissingen worden aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.
Uitkomst: Appellant wordt toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het strafvonnis en de procedure voor getuigenverhoor en stukkeninzending wordt vastgesteld.