Uitspraak
[Appellant 1],
[Appellant 2],
[Appellant],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze civiele procedure in hoger beroep hebben appellanten zich verzet tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg Sint Maarten, waarin zij werden veroordeeld tot betaling van hun rekening-courantschulden aan de curator van de failliete vennootschappen Sabra N.V. en Aquarius Company Ltd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vorderingen van de curator waren verjaard en of de rekening-courantschulden waren tenietgegaan door verrekening met een dividenduitkering aan een onbekende aandeelhouder. Het Hof oordeelde dat appellanten niet hadden voldaan aan hun stelplicht en bewijslast omtrent de vermeende verrekening en het dividendbesluit, waardoor het beroep op verrekening faalde.
Voorts stelde het Hof vast dat de rekening-courantverhouding pas eindigde bij de faillissementsdatum in 2013, zodat de verjaringstermijn pas in 2018 was verstreken. De mutaties na 2007 en het ontbreken van concrete bewijsstukken over de dividenduitkering maakten het beroep op verrekening en verjaring niet aannemelijk.
Het Hof bevestigde daarom het vonnis van 2 april 2019 en veroordeelde appellanten hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep en de nakosten. De uitspraak werd gedaan door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op 7 mei 2021 te Sint Maarten.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis dat appellanten hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van de rekening-courantschulden aan de curator en wijst het hoger beroep af.