ECLI:NL:OGHACMB:2020:74
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep kort geding
- E.M. van der Bunt
- S.A. Carmelia
- M.B. van den Enden
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Curaçaose rechter na verhuizing minderjarige kinderen naar Nederland
In deze zaak ging het om het hoger beroep van [Appellant] tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarbij aan [Geïntimeerde] vervangende toestemming was verleend om met de minderjarige kinderen Curaçao te verlaten en zich in Nederland te vestigen.
Na de verhuizing van de kinderen en [Geïntimeerde] naar Nederland stelde het Hof de vraag of het nog bevoegd was over de zaak te oordelen. Hoewel het uitgangspunt is dat de bevoegdheid van de rechter wordt bepaald op het moment van het verzoekschrift, bestaan er uitzonderingen op dit perpetuatio fori-beginsel.
Het Hof paste artikel 5 lid 2 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 toe, dat bepaalt dat bij verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind naar een andere verdragsluitende staat, de autoriteiten van die nieuwe staat bevoegd zijn. Omdat de verhuizing met toestemming was en geen sprake was van ongeoorloofde overbrenging, is de Curaçaose rechter niet langer bevoegd.
Het Hof verklaarde zich daarom onbevoegd het hoger beroep te behandelen en liet de voorlopige maatregelen van het Gerecht in stand totdat de Nederlandse rechter eventueel andere maatregelen neemt. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het Hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep omdat de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.