Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2020:317

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
3 december 2020
Publicatiedatum
16 juli 2021
Zaaknummer
H 61/19
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 OpiumlandsverordeningRegeling aanwijzing gecontroleerde middelen AB 2013, GT nr. 255
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en bezit hennep in Sint Maarten

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen en bezit van ongeveer 453 gram hennep in Sint Maarten. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Tijdens de terechtzitting heeft het Hof de vorderingen van de procureur-generaal en de verdediging gehoord. De procureur-generaal verzocht bevestiging van het vonnis, terwijl de verdediging een strafmaatverweer voerde.

Het Hof oordeelde dat het vonnis van de rechtbank niet verenigbaar was met de feiten en het bewijs. De bekennende verklaring van de verdachte werd niet geloofwaardig bevonden in het licht van het overige dossiermateriaal. Er was onvoldoende wettig bewijs om de tenlastelegging te bewijzen.

Daarom vernietigde het Hof het vonnis van de rechtbank, verklaarde het ten laste gelegde niet bewezen en sprak de verdachte vrij. De uitspraak werd gedaan op 3 december 2020 in Sint Maarten.

Uitkomst: Het Hof sprak de verdachte vrij wegens onvoldoende wettig bewijs voor medeplegen en bezit van hennep.

Uitspraak

Zaaknummer: H 61/19

Parketnummer: 100.00385/17
Uitspraak: 3 december 2020 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 6 maart 2019 in de strafzaak tegen de verdachte

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], adres: [adres],
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. R.H. den Haan, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. S.H.M. Ibrahim, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, aangezien het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
:
hij op of omstreeks 4 oktober 2017 te Sint Maarten,
tezamen in en vereniging, althans alleen
in zijn bezit heeft gehad, aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,
ongeveer 453 gram, in elk geval en hoeveelheid, hennep, althans hars die uit
hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die
uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een
middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro en/of in de Regeling
aanwijzing gecontroleerde middelen AB 2013, GT nr. 255.
Formele voorvragen
Het Hof stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak
Het Hof heeft niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Het Hof overweegt daartoe als volgt. In het bijzonder acht het Hof de bekennende verklaring van de verdachte - tegen de achtergrond van de overige inhoud van het dossier - niet geloofwaardig.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, S.A. Carmelia en A.J.M. van Gink, leden van het Hof, bijgestaan door mr. M. Witteman, (zittings)griffier, en op 3 december 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.
De uitspraakgriffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.