Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk.
De verdachte werd schuldig bevonden aan de uitvoer van 1.185 gram cocaïne. Het Hof hield rekening met de schadelijke gevolgen van cocaïne voor de gezondheid en de maatschappij, evenals de vaak daarmee gepaard gaande geweldscriminaliteit. Tegelijkertijd nam het Hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zwaar mee, zoals zijn jonge leeftijd, het ontbreken van eerdere veroordelingen, zijn opleiding en maatschappelijke inzet, en zijn rol in de gezinssituatie.
Gelet op deze omstandigheden oordeelde het Hof dat de verdachte een eenmalige fout had gemaakt en legde in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf van 240 uur op, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van drie jaar. Hiermee wil het Hof de verdachte afschrikken om opnieuw strafbare feiten te plegen. Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht voor het overige.
De straf is opgelegd op basis van het Wetboek van Strafrecht en de Opiumlandsverordening 1960 zoals die golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Het vonnis werd uitgesproken op 22 oktober 2020 in Curaçao.