Uitspraak
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
1.[Appellant 1],
[Appellante 2],
[Appellant 3],
[Appellant 4],
[Appellant 5],
[Appellante 6],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze civiele bodemzaak zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De akte van hoger beroep werd op 26 november 2019 ingediend, waarbij het griffierecht werd vastgesteld op NAf 900,-. Hoewel het indienen van een memorie van grieven niet verplicht was volgens het procesrecht van Sint Eustatius, was betaling van het griffierecht wel vereist.
Appellanten hebben echter nagelaten het griffierecht binnen de wettelijke termijn van zes weken na indiening van de akte van hoger beroep te voldoen. Op grond van artikel 270 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vervalt daardoor het hoger beroep en wordt de aantekening in het algemeen register doorgehaald.
Het Hof constateert dat de Staat der Nederlanden geen kosten heeft gemaakt omdat de akte van hoger beroep niet is betekend. Het Hof verklaart het hoger beroep vervallen en veroordeelt appellanten in de kosten, die tot op heden nihil zijn begroot. Het vonnis is uitgesproken op 14 december 2020 te Sint Maarten door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Uitkomst: Het hoger beroep is vervallen wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.