Uitspraak
, de moeder.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De zaak betreft een hoger beroep van [Appellant] tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba waarin hij werd veroordeeld tot het betalen van een maandelijkse bijdrage van Afl. 350,- voor de verzorging en opvoeding van zijn erkende kind.
[Appellant] betoogde dat zijn financiële situatie door de sluiting van het spuitbedrijf van zijn vrouw en haar vader, vermindering van werktijd en salaris vanwege de Covid-pandemie, en hogere maandelijkse lasten door een nieuwe lening en studiefinancieringsschuld, niet toelaat om alimentatie te betalen. Deze feiten werden niet weersproken.
Het Hof stelde vast dat de totale vaste lasten van [Appellant] aanzienlijk hoger zijn dan zijn netto-inkomsten, waardoor hij geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van onderhoud en verzorging van het kind. Het beroep werd gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de bijdrage op nihil gesteld.
De kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beslissing werd uitgesproken door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op 18 december 2020.
Uitkomst: De bijdrage in de kosten van onderhoud en verzorging van het kind is op nihil gesteld wegens het ontbreken van draagkracht.