Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De beoordeling
in de hoofdzaakvan 4 september 2019 en opnieuw rechtdoende:
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Op 26 december 2014 liep appellant als passagier van een bus van Arubus letsel op door het rijden met hoge snelheid over een verkeersplateau. De blijvende invaliditeit werd medisch vastgesteld tussen 5% en 16%, waarbij verschillende medische rapporten uiteenlopende percentages en adviezen gaven. De rechtbank stelde de immateriële schadevergoeding vast op €6.100 op basis van het advies van de verzekeringsarts van Cunningham Lindsay.
Appellant kwam in hoger beroep en voerde aan dat de Italiaanse medische rapporten met hogere invaliditeitspercentages meegewogen moesten worden. Het Hof oordeelde dat het advies van Cunningham Lindsay, dat rekening hield met pre-existente klachten en Nederlandse standaarden, leidend moest zijn. De medische rapporten van de Italiaanse artsen voldeden niet aan de richtlijnen en werden terecht buiten beschouwing gelaten.
Het Hof stelde de immateriële schadevergoeding vast op €10.000, rekening houdend met de blijvende invaliditeit van 7% en de gevolgen voor appellant zoals beperkingen in dagelijkse activiteiten en werk. Tevens werd Arubus veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep. Het hoger beroep werd daarmee deels gegrond verklaard en het vonnis van eerste aanleg vernietigd.
Uitkomst: Arubus wordt veroordeeld tot betaling van €10.000 immateriële schadevergoeding wegens blijvende invaliditeit na busongeluk.