Uitspraak
Registratienummers: AUA201702418 - AUA2018H00037
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant werkt al 22 jaar voor het Land Aruba, steeds op tijdelijke contracten. Per 1 januari 2017 is een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan. De ministerraad heeft in januari en mei 2017 besloten tot verlenging van de arbeidsovereenkomst voor de duur van vijf jaar. Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde echter dat de overeenkomst slechts gold tot het einde van het kabinet Eman II en dat een vijfjarige verlenging niet rechtsgeldig was.
In hoger beroep betwist appellant dit en stelt dat de arbeidsovereenkomst wel voor vijf jaar is verlengd. Het Land heeft de arbeidsovereenkomst na 17 november 2017 voortgezet zonder bezwaar en heeft geen rechtsgrond voor beëindiging aangevoerd. Ook is appellant met instemming van het Land overgeplaatst naar een andere directie.
Het Hof concludeert dat de arbeidsovereenkomst inderdaad doorloopt tot 1 januari 2022 en dat het oordeel van het Gerecht dat sprake was van afscheidsbeleid niet kan worden gevolgd. De vordering tot betaling van compensatietoeslagen wordt eveneens toegewezen. Het Land wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst met het Land Aruba geldt voor vijf jaar vanaf 1 januari 2017 en het Land wordt veroordeeld tot betaling van compensatietoeslagen en proceskosten.