Uitspraak
[APPELLANTE SUB 1],
[APPELLANT SUB 2],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak stond centraal of de verjaring van een vordering van Korpodeko jegens appellanten was gestuit door het tijdig bereiken van schriftelijke mededelingen. Korpodeko stelde dat brieven van 4 maart 2015 en 30 juli 2015 appellanten hadden bereikt vóór het verstrijken van de verjaringstermijn op 5 augustus 2015.
Het Hof onderzocht de bewijslevering en concludeerde dat het bewijs ontbrak dat de brief van 4 maart 2015 daadwerkelijk was betekend of ontvangen. De brief was niet per post verzonden en getuigenverklaringen wezen uit dat appellanten niet op de hoogte waren van deze brief. Ook voor de brief van 30 juli 2015 was onvoldoende bewijs dat deze vóór de verjaringstermijn was ontvangen, mede doordat de poststempel onduidelijk was en getuigenverklaringen hierover niet overtuigend waren.
Wel stond vast dat appellante sub 1 op 3 augustus 2015 het kantoor van Korpodeko bezocht en op de hoogte was van de vordering, maar dit was na het verstrijken van de verjaringstermijn en bovendien betrof het geen schriftelijke mededeling die de verjaring stuitte. De mondelinge mededeling aan appellanten was onvoldoende volgens artikel 3:317 lid 1 BW Pro. Er was ook geen erkenning van de vordering door appellanten in de relevante periode.
Het Hof vernietigde het bestreden vonnis, wees de vorderingen van Korpodeko af wegens verjaring en veroordeelde Korpodeko in de proceskosten van appellanten in zowel eerste aanleg als hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van Korpodeko is verjaard en wordt afgewezen wegens het niet tijdig bereiken van schriftelijke mededelingen.