Uitspraak
[GEÏNTIMEERDE 1],
[GEÏNTIMEERDE 2],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak staat een hoger beroep centraal van RBC Royal Bank N.V. tegen een kort gedingvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, waarin een verbod werd uitgesproken op een voorgenomen openbare veiling van drie verhypothekeerde percelen grond. De grond was verpand als zekerheid voor een lening aan een derde partij. RBC betwistte onder meer de maximale omvang van de zekerheid en bracht taxatierapporten niet in het geding.
Het Hof constateerde dat RBC niet het bedrag van haar directe geldelijk belang had vermeld, wat in strijd is met het Procesreglement 2016. De griffier stelde het belang vast op US$ 350.000,00, het bedrag dat het Gerecht in eerste aanleg als maximum had genoemd. Op basis hiervan werd een nageheffing van griffierecht bepaald, die RBC binnen zes weken moet voldoen.
Het Hof wees RBC erop zich te beraden op het belang van het hoger beroep, mede omdat de datum van de voorgenomen veiling al was verstreken en orkaan Irma de situatie op Sint Maarten heeft beïnvloed. Tevens werd benadrukt dat een verzoek tot toestemming voor veiling niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Het Hof zal voorlopig slechts voorlopige oordelen geven en houdt verdere beslissing aan tot na betaling van het griffierecht en nadere stukken.
Uitkomst: Het Hof houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rolzitting na betaling van het nageheven griffierecht.