ECLI:NL:OGHACMB:2018:236

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
8 mei 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
SXM2017H00028
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep faalt in zaak over beroepstermijn en vertrouwensbeginsel bij verblijfsvergunning

Appellanten, als wettelijke vertegenwoordigers van een minderjarige, verzochten om een vergunning tot tijdelijk verblijf met het doel gezinsvorming, welke door de minister van Justitie van Sint Maarten werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde het Gerecht in eerste aanleg het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Appellanten stelden dat zij mochten vertrouwen op een heroverweging van hun verzoek, waardoor zij het instellen van beroep konden uitstellen. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel werd door het Gerecht verworpen omdat de gestelde toezeggingen niet voldoende waren onderbouwd en er geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan door de beslismedewerker.

In hoger beroep bevestigde het Hof deze beoordeling. Ook al zouden dergelijke toezeggingen zijn gedaan, dan nog had de advocaat van appellanten als professionele rechtsbijstand de beroepstermijn in acht moeten nemen en een pro-forma beroepschrift moeten indienen om de termijn te bewaren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder rechtens te honoreren vertrouwen.

Uitspraak

LARSXM2017H00028
Datum uitspraak: 8 mei 2018
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellanten],
in hun hoedanigheid als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [naam], wonend in Sint Maarten,
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 23 januari 2017 in zaak nr. Lar 31/2016, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Justitie van Sint Maarten.

Procesverloop

Bij beschikking van 12 mei 2014 heeft de minister de aanvraag van appellanten om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinsvorming, afgewezen.
Bij beschikking van 27 januari 2015 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2017 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2018, waar appellanten, bijgestaan door mr. C.H.J. Merx, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

Het Gerecht heeft overwogen dat appellanten niet hebben betwist dat de beschikking van 27 januari 2015 op 6 februari 2015 is uitgereikt en de beroepstermijn derhalve is verstreken op 20 maart 2015. Eerst op 29 maart 2016 is beroep ingesteld. Het Gerecht heeft beoordeeld of de termijnoverschrijding het gevolg is geweest van niet aan appellanten toe te rekenen bijzondere omstandigheden en zij het beroep hebben ingesteld zo spoedig als dit
redelijkerwijs verlangd kon worden.
In dit verband heeft het Gerecht overwogen dat vast staat dat appellanten binnen de beroepstermijn een verzoek om heroverweging hebben ingediend bij de minister. De vraag is of appellanten aan enige mededeling of handelen van een met name genoemde beslismedewerker het vertrouwen hebben mogen ontlenen dat dit verzoek om heroverweging in behandeling was en de minister daarop binnen een bepaalbare of afzienbare termijn zou beschikken. De gestelde mondelinge mededelingen of toezeggingen zijn gemotiveerd weersproken en niet van een andere dragende onderbouwing voorzien. In geschil is voorts – aldus het Gerecht – of er een hoorzitting was gepland (daargelaten of daar voormeld vertrouwen aan kon worden ontleend). Ook dit is onvoldoende gestaafd. Al met al is volgens het Gerecht onvoldoende onderbouwd gebleven dat er zodanige mededelingen zijn gedaan of handelingen zijn verricht, dat appellanten erop konden vertrouwen dat de zaak in heroverweging zou worden genomen in een voor hen gunstige zin, zodat zij van het instellen van beroep konden afzien.
Appellanten betogen dat zij in tegenstelling tot hetgeen het Gerecht heeft overwogen voldoende hebben onderbouwd dat zodanige mededelingen zijn gedaan of handelingen zijn verricht dat zij er op hadden kunnen vertrouwen dat de zaak in heroverweging genomen zou worden dan wel in ieder geval een hoorzitting zou worden gepland.
2.1.
Appellanten hebben ook in hoger beroep niet met stukken gestaafd dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door de beslismedewerker, waaraan de rechtens te honoreren verwachting kan worden ontleend dat de beschikking van 27 januari 2015 zou worden herzien en dat appellanten derhalve van het indienen van een beroepschrift konden afzien. Zelfs indien dergelijke toezeggingen zouden zijn gedaan, had dit onverlet gelaten dat het op de weg van de advocaat van appellanten als professionele rechtsbijstandsverlener lag om de termijn voor het indienen van een beroepschrift in acht te nemen en ter sauvering van de beroepstermijn een pro-forma beroepschrift in te dienen.
Het betoog faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. Hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Saleh
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018
Verzonden: 8 mei 2018
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,