ECLI:NL:OGHACMB:2018:230

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
5 september 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
AUA2017H00134 en 135
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, eerste lid, Landsverordening administratieve rechtspraakArt. 9, eerste lid, Landsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid belastingrechter inzake beroepen tegen facturen precariobelasting bevestigd

De vennootschappen hebben bezwaar gemaakt tegen facturen voor precariobelasting en beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van deze beroepen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ging om het uitblijven van een beslissing.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken en voerde aan dat het Gerecht ten onrechte onbevoegd was en dat de brieven van 19 augustus 2016 en 30 januari 2017 geen beschikkingen maar enkel mededelingen waren. Het Hof verwees naar een eerdere uitspraak waarin de bevoegdheid van de belastingrechter was bevestigd en oordeelde dat de brieven wel als beschikkingen moeten worden aangemerkt.

Verder stelde het Hof vast dat in een andere procedure reeds een oordeel was gegeven over de beschikkingen van 19 augustus 2016 en 30 januari 2017, waardoor het procesbelang voor de beroepen van 2 februari 2017 was komen te vervallen. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de bevoegdheid van de belastingrechter en verklaart de beroepen niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

LARAUA2017H00134 en LARAUA2017H00135
Datum uitspraak: 5 september 2018
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op de hoger beroepen van:
de minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening en Integratie
appellant,
tegen de onderscheiden uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 28 augustus 2017 in zaken nrs. AUA201700045 en AUA201700046 in de gedingen tussen:
1. vennootschap 1]
2. [ vennootschap 2]
(de vennootschappen), beiden gevestigd in Aruba,
en
de minister.

Procesverloop

Bij onderscheiden beschikkingen van 19 augustus 2016 is de vennootschappen meegedeeld dat de gevraagde precariovergunning verleend kan worden, indien binnen 30 dagen de bij de brief gevoegde factuur van 21 juli 2016 voor de verschuldigde precariobelasting is betaald.
Daartegen hebben de vennootschappen op van 23 september 2016 bezwaar gemaakt.
Bij onderscheiden beschikkingen van 30 januari 2017 is aan de vennootschappen meegedeeld dat na heroverweging is besloten dat indien zij binnen 30 dagen de bij de brief gevoegde factuur van 16 januari 2017 voor de verschuldigde precariobelasting voldoen, een precariovergunning kan worden verleend.
Tegen het uitblijven van een beslissing op het gemaakte bezwaar hebben de vennootschappen op 2 februari 2017 beroep ingesteld.
Bij onderscheiden uitspraken van 28 augustus 2017 heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de beroepen, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het door de vennootschappen tegen de factuur van 21 juli 2016 gemaakte bezwaar en dat beroep voor het overige niet‑ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vennootschappen hebben een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2018, waar de minister, vertegenwoordigd door A. Lumenier, mrs. I.L. Ras-Orman, M.P. Jansen en V.M. Emerencia, procesgemachtigden bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, E. Shak Sjie, R. Maduro en mr. A. Balentina van de Directie Infrastructuur en Planning en de vennootschappen, vertegenwoordigd door mrs. R.A. Wix en E.R. Zeppenfeldt, advocaten, zijn verschenen.
Overwegingen
De minister betoogt dat het Gerecht zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de beroepen van 2 februari 2017, voor zover die zijn gericht tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het door de vennootschappen tegen de factuur van 21 juli 2016 gemaakte bezwaar.
1.1.
De bevoegdheidsvraag heeft het Hof bij uitspraak van heden in zaak nr. LARAUA2017H00127 beantwoord. Uit overwegingen 2.2 tot en met 2.7 van die uitspraak, waarbij het Hof blijft, volgt dat het betoog faalt.
2. Voorts betoogt de minister dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de onderscheiden brieven van 19 augustus 2016 en 30 januari 2017 een afwijzende beschikking onderscheidenlijk een beschikking op bezwaar zijn. De brief van 19 augustus 2016 is slechts een mededeling en geen beschikking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Het daartegen gemaakte bezwaar is daarom niet‑ontvankelijk. De minister betoogt dat het Gerecht de beroepen van 2 februari 2017 in zoverre gegrond had moeten verklaren, het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het bezwaar had moeten vernietigen en zelf voorziend het bezwaar alsnog niet‑ontvankelijk had moeten verklaren.
2.1.
Het Gerecht heeft overwogen dat de onderscheiden brieven van 19 augustus 2016 afwijzende beschikkingen zijn, omdat daarbij de precariovergunning zal worden geweigerd, indien niet binnen 30 dagen de verschuldigde precario wordt voldaan. Voorts heeft het Gerecht overwogen dat de onderscheiden brieven van 30 januari 2017 beschikkingen zijn. Daaraan heeft het Gerecht ten grondslag gelegd dat deze beschikkingen, gelet op de bewoordingen ervan, zijn gegeven naar aanleiding van het tegen de afwijzende beschikkingen van 19 augustus 2016 gemaakte bezwaar, waarna deze beschikkingen zijn heroverwogen. Het Gerecht is van oordeel dat ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar, de brieven van 30 januari 2017 beslissingen op bezwaar zijn. Tegen deze beschikkingen hebben de vennootschappen beroep ingesteld, geregistreerd onder nummers AUA201700081 en AUA201700082. Onder deze omstandigheden hebben de vennootschappen geen belang bij de op 2 februari 2017 ingestelde beroepen en zijn deze beroepen niet‑ontvankelijk, aldus het Gerecht.
2.2.
De minister heeft zijn standpunt over het oordeel van het Gerecht ten aanzien van de beschikkingen van 19 augustus 2016 en 30 januari 2017 naar voren gebracht in de procedures geregistreerd onder nummers AUA201700081 en AUA201700082. Bij onderscheiden uitspraken van 28 augustus 2017 heeft het Gerecht de in die zaken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de beschikkingen van 30 januari 2017 vernietigd en bepaald dat de minister binnen drie maanden na dagtekening van die uitspraken, met in achtneming daarvan, nieuwe beschikkingen op de door de vennootschappen gemaakte bezwaar van 23 september 2016 moet nemen. Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld, geregistreerd onder nummers LARAUA2017H00136 en LARAUA2017H000137.
2.3.
De conclusie is dat, nu reeds in een andere procedures door het Gerecht een oordeel over de beschikkingen van 19 augustus 2016 en 30 januari 2017 is gegeven, het Gerecht de op 2 februari 2017 ingestelde beroepen terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard omdat het belang daaraan is komen te ontvallen.
Het betoog faalt.
3. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep biedt de Lar geen mogelijkheid.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Saleh
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018
Verzonden: 5 september 2018