Uitspraak
Appellant], wonend in Curaçao,
Beslissing
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant diende een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met het doel een wapenvergunning te verkrijgen voor beveiligingswerkzaamheden. De minister van Justitie wees de aanvraag af vanwege een eerdere onherroepelijke veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van een ernstig opiumdelict.
Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Tijdens de zitting werd door appellant aangevoerd dat de verstreken tijd sinds de veroordeling, het ontbreken van nieuwe antecedenten, een positieve verklaring van zijn werkgever en een psychologisch onderzoek tot een andere belangenafweging hadden moeten leiden.
Het Hof overwoog dat het objectieve risico voor de samenleving, voortvloeiend uit de aard en zwaarte van het delict en de opgelegde straf, zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van appellant bij de VOG. De minister hoefde het ontbreken van nieuwe antecedenten en de positieve persoonlijke omstandigheden niet zwaarder te laten wegen dan de bescherming van de samenleving tegen het potentiële risico van wapenbezit door appellant.
Daarmee werd de afwijzing van de aanvraag bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor de Verklaring Omtrent het Gedrag wordt bevestigd.