Uitspraak
ONTVANGER VAN HET LAND CURACAO,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin zijn verzet tegen dwanginvorderingen ongegrond werd verklaard. Appellant vorderde onder meer opheffing van beslag op zijn auto, stopzetting van inhoudingen op zijn pensioen en restitutie van ingehouden pensioengelden, stellende dat de invordering was verjaard.
Het Hof heeft het hoger beroep inhoudelijk niet behandeld omdat appellant niet had voldaan aan de wettelijke consignatieplicht zoals voorgeschreven in artikel 4 lid 4 van Pro de Landsverordening Dwanginvordering. Appellant had niet aangetoond dat de betwiste belastingen en kosten in consignatie waren gegeven aan de ontvanger, noch had hij gesteld dat hij hiertoe niet in staat was of dat dit in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.
Daarmee werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van de ontvanger, begroot op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 291,50 aan verschotten. Het vonnis werd gewezen door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op 11 september 2018.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens niet-naleving van de consignatieplicht en veroordeeld in de proceskosten.