Uitspraak
Het beroep tegen de beschikking van 27 oktober 2015 (zaak nr. 146/15)
Het beroep tegen de beschikking van 20 mei 2015 (zaak nr. 71/15)
Het Gerecht heeft voorts overwogen dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) beschermde recht op eerbiediging van het privé- of gezinsleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en zijn familie enerzijds en het algemeen belang van Sint Maarten bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn. Bij de te verrichten belangenafweging moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar zijn betrokken.
Artikel 8 van Pro het EVRM noopt niet tot het verlenen aan appellant van de gevraagde verblijfsvergunning, aldus het Gerecht. Aan die overweging heeft het ten grondslag gelegd dat appellant nooit rechtmatig verblijf in Sint Maarten heeft gehad en niet heeft aangetoond vanaf zijn jeugdjaren langdurig in Sint Maarten te hebben verbleven. Het heeft voorts overwogen dat de minister groot gewicht heeft mogen hechten aan de strafrechtelijke veroordeling van appellant en aan de omstandigheid dat sinds die veroordeling nog niet een aanzienlijke tijd is verstreken. Uit het dossier blijkt niet dat appellant op sociaal of cultureel vlak bijzondere banden heeft met Sint Maarten. Appellant is zijn gezinsleven aangegaan in een periode dat hij wist dat hij geen legaal verblijf had in Sint Maarten. Hij heeft daarmee bewust het risico aanvaard dat hij het gezinsleven niet in Sint Maarten kan voortzetten.
Slotsom
Beslissing
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 16 mei 2016 in zaak nr. 146/15;
verklaarthet Gerecht
onbevoegdvan het in die zaak ingestelde beroep kennis te nemen;
veroordeeltde minister van Justitie van het land Sint Maarten tot vergoeding aan [appellant] van de bij hem in verband met de behandeling van dat beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf 2.800,00 (zegge: tweeduizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat de minister van Justitie van het land Sint Maarten aan [appellant] het door hem de voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van NAf 450,00 (zegge: vierhonderd vijftig gulden) vergoedt;
VI.
bevestigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 16 mei 2016 in zaak nr. 71/15.