Uitspraak
Het betoog faalt.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid als zelfstandige. De staatssecretaris wees deze aanvraag af wegens het niet voldoen aan het middelenvereiste. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het Gerecht ten onrechte oordeelde dat bij wijziging van het verblijfsdoel een nieuwe aanvraag vereist is en dat de aanvraag van 10 maart 2015 niet als wijziging van het verblijfsdoel in arbeid in loondienst mocht worden betrokken bij de bezwaarprocedure. Tevens voerde hij aan dat de Richtlijn 2003/109 betreffende langdurig ingezetenen analoog toegepast had moeten worden.
Het Hof oordeelde dat de staatssecretaris terecht artikel 5.48, eerste lid, van het Besluit toelating en uitzetting BES toepaste door de gewijzigde aanvraag niet in bezwaar te betrekken. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de Richtlijn faalde, mede omdat deze richtlijn niet van toepassing is op Bonaire. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning blijft in stand.