ECLI:NL:OGHACMB:2017:72

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
25 juli 2017
Publicatiedatum
4 september 2017
Zaaknummer
AR 3691/12 - ghis 78679 - H 135/16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht in hoger beroep over investering en aandelenbelang in attractiepark

In deze civiele procedure in hoger beroep gaat het om een geschil tussen appellant en geïntimeerden over investeringen in een attractiepark en de verwerving van aandelen in Danish Park N.V. Het Hof verwijst naar eerdere vonnissen en benadrukt dat in dit stadium geen nieuwe eisen kunnen worden ingebracht.

Het Hof wijst bewijsopdrachten toe aan geïntimeerden om aan te tonen dat appellant onvoldoende of geen eigen middelen in het attractiepark heeft geïnvesteerd en niet heeft meegewerkt aan de aandelenverdeling zoals overeengekomen. Tevens wordt een getuigenverhoor gepland om feiten en omstandigheden nader te onderzoeken.

Het Hof houdt verdere oordelen en beslissingen aan en benadrukt dat de bewijslevering in dit stadium nog niet volledig is afgerond. Het vonnis is gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof en uitgesproken te Curaçao op 25 juli 2017.

Uitkomst: Het Hof wijst bewijsopdrachten toe en houdt verdere beslissingen aan in hoger beroep over investeringen en aandelenbelang in het attractiepark.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:
Registratienummer: AR 3691/12 - ghis 78679 - H 135/16
Uitspraak: 25 juli 2017 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Aruba,
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellant in het principaal appel,
geïntimeerde in het incidenteel appel,
gemachtigde: mr. J.A. Saade,
tegen
1.
[GEÏNTIMEERDE 1],
2.
[GEÏNTIMEERDE 2],
3.
[GEÏNTIMEERDE 3],
4.
[GEÏNTIMEERDE 4],
5.
[GEÏNTIMEERDE 5],
6.
[GEÏNTIMEERDE 6],
7.
[GEÏNTIMEERDE 7],
allen wonende in Venezuela,
oorspronkelijk eisers,
thans geïntimeerden in het principaal appel,
appellanten in het incidenteel appel,
gemachtigde: mr. M.B. Boyce.
De partijen worden hierna weer [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 18 oktober 2016 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen. [geïntimeerden] hebben een akte na tussenvonnis ingediend, met producties, tevens houdende vermeerdering van eis. [appellant] heeft een antwoordakte na tussenvonnis ingediend, tevens houdende verzet tegen de eisvermeerdering. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

2.1
Een goede procesorde eist dat er in dit stadium van het geding in hoger beroep geen plaats meer wordt geboden voor een nieuwe eis. De eis van [geïntimeerden] tot het afleggen van rekening en verantwoording zal daarom in deze procedure niet in behandeling worden genomen.
2.2
Met betrekking tot verbintenis 1 zal het Hof thans de bij tussenvonnis aangekondigde bewijsopdrachten verstrekken (zie het dictum onder a en b). Anders dan [geïntimeerden] hebben aangevoerd, kunnen de door hen te bewijzen stellingen niet als voorshands bewezen worden beschouwd. Voor het overige geeft het Hof in dit stadium geen bewijswaardering. Wel wijst het Hof voor de duidelijkheid op rov. 2.15 van het vonnis van 18 oktober 2016. Zoals daar is overwogen, kan het daar vermelde bij de bewijslevering aan de orde komen.
2.3
Met betrekking tot verbintenis 2 zal het Hof ook een bewijsopdracht aan [geïntimeerden] verstrekken (zie het dictum onder c). Het Hof laat in dit stadium in het midden of er sprake is van schuldeisersverzuim als bedoeld in rov. 2.8 van het vonnis van 18 oktober 2016. Bij de getuigenverhoren kunnen feiten en omstandigheden aan de orde komen die daarop betrekking hebben.
2.4
Voor het overige houdt het Hof ieder oordeel en iedere beslissing aan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:
draagt [geïntimeerden] op te bewijzen dat [appellant]:
a. minder dan de bedragen die hij in totaal van [geïntimeerden] en
[betrokkene 1] heeft ontvangen, heeft aangewend ten behoeve van
het attractiepark;
b. geen of te weinig gelden uit eigen middelen in het attractiepark heeft geïnvesteerd;
c. niet of in onvoldoende mate eraan heeft meegewerkt dat [geïntimeerden] een aandelenbelang in Danish Park N.V. zouden verwerven overeenkomstig de in de overeenkomsten omschreven verdeelsleutel;
bepaalt dat [geïntimeerden], indien zij daartoe getuigen willen doen horen, deze kunnen voorbrengen op dinsdag 19 september 2017 te 13.30 uur voor een nader aan te wijzen lid van het Hof in het gerechtsgebouw in Aruba;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 25 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.