Uitspraak
[appellante sub 3],
MINISTER VAN FINANCIËN, COMMUNICATIE,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
IP Globalcom N.V. en aanverwante partijen (IPG c.s.) zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba waarin hun vorderingen tegen het Land Aruba wegens vermeende onrechtmatige overheidsdaad werden afgewezen. De zaak betreft een concessieverlening voor internationale communicatiediensten, waaronder het gebruik van een onderzeese glasvezelkabel.
De feiten tonen aan dat IPG in 2008 een concessie heeft aangevraagd die ook onderzeese glasvezelkabels omvatte. Deze aanvraag werd (fictief) geweigerd, en het bezwaar tegen deze weigering werd niet inhoudelijk behandeld, waardoor formele rechtskracht aan de weigering is toegekend. Een voorlopige voorziening had het Land verplicht een voorlopige concessie te verlenen, wat ook is gebeurd.
Het Hof oordeelt dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om de weigering onrechtmatig te achten vanwege de formele rechtskracht van de beslissing op bezwaar. Daarnaast is vastgesteld dat het Land aan de voorlopige voorziening heeft voldaan. De grieven van IPG c.s. falen derhalve, en het Hof bevestigt het vonnis van de eerste aanleg en veroordeelt IPG c.s. in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis van eerste aanleg en wijst het hoger beroep af wegens formele rechtskracht van de weigering en het ontbreken van onrechtmatig handelen door het Land.