ECLI:NL:OGHACMB:2017:151

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
15 november 2017
Publicatiedatum
12 februari 2018
Zaaknummer
H 9/17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 onder d Watersportverordening Sint MaartenArt. 6 lid 1 Watersportverordening Sint MaartenArt. 33 lid 1 Binnenvaartverordening Sint Maarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep watersportdelicten met functioneel daderschap en strafuitsluiting

De zaak betreft een hoger beroep tegen een vrijspraak in eerste aanleg over watersportdelicten op Sint Maarten op 21 juli 2015. De verdachte, leidinggevende van een watersportbedrijf, werd beschuldigd van het laten voorttrekken van een banaan/tube zonder uitkijker op de trekboot en het laten optreden van een ongediplomeerde schipper.

Het Hof achtte bewezen dat de verdachte functioneel daderschap pleegde door het toestaan van het trekken van een banaan/tube met meerdere personen zonder tweede persoon op de trekboot en het inzetten van een schipper zonder geldig vaarbewijs. Echter, het primaire feit werd niet strafbaar geacht omdat personen op de banaan/tube niet als waterskiërs kwalificeerbaar zijn volgens de Watersportverordening.

Voor het subsidiaire feit en de overtreding van de Binnenvaartverordening werd de verdachte strafbaar verklaard. Gelet op de ernst, omstandigheden en het feit dat de verdachte de boete van de schipper betaalde en het gevaar inzag, werd volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.

Het vonnis vernietigt het eerdere vonnis en doet opnieuw recht met een verklaring van bewezenverklaring en strafuitsluiting voor het primaire feit, en strafbaarheid zonder strafoplegging voor het subsidiaire en tweede feit.

Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard voor subsidiaire feiten zonder strafoplegging, primaire feit niet strafbaar en vrijspraak.

Uitspraak

Strafzaken over 2017 Vonnis no.
Datum uitspraak: 15 november 2017 (mondeling) BIS
Zaaknummer: H 9/17
Parketnummer: 400.00010/15
Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
STRAFVONNIS
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg
van Sint Maarten van 19 januari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteland],
wonende te [adres] in Sint Maarten.
Procesgang en onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 24 november 2016 en 19 januari 2017, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, en van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2017 in Sint Maarten.
Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. J. Spaans, en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd (in de deelnemingsvariant plegen) en hetgeen onder 2 is ten laste gelegd, bewezen zal verklaren, hem zal ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake van hetgeen onder 2 bewezen wordt verklaard, en hem ter zake van hetgeen onder 1 primair bewezen wordt verklaard zal veroordelen tot een geldboete van NAf 425,00, te vervangen door acht dagen hechtenis.
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair) hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging, althans alleen, op of in een openbaar water, een banaan/tube, althans een waterski-object met daarop één of meer personen heeft laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was;
(artikel 4 lid 1 onder Pro d Watersportverordening Sint Maarten)
(subsidiair) hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, op of in een openbaar water, zich zodanig heeft gedragen dat de veiligheid op/in het openbaar water in gevaar is gebracht, immers heeft hij, een banaan/tube, althans een waterski-object met daarop één of meer personen laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was;
(artikel 1 Watersportverordening Pro Sint Maarten)
2. hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, [betrokkene], althans een ander, in de uitvoering van het bedrijf waar hij als verdachte op dat moment leiding gaf, heeft laten optreden als schipper van een waterscooter, althans een vaartuig, zonder in het bezit te zijn van een door de havenbeheerder afgegeven geldig bewijs van bekwaamheid.
(artikel 4 Binnenvaartverordening Sint Maarten)
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het Hof tot andere oordelen komt.
Bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde
Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste gelegd, met dien verstande dat:
hij, op
of omstreeks21 juli 2015 te Sint Maarten
, tezamen en in vereniging, althans alleen,op of in een openbaar water, een banaan/tube,
althans een waterski-objectmet daarop
één ofmeer personen heeft laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube,
althans voornoemd waterski-objectaanwezig was.
Het Hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd.
De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde
Indien tegen dit verkorte vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op het vonnis.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde
In de rechtspraak worden de volgende eisen gesteld aan functioneel daderschap: a. het delict kan functioneel worden geïnterpreteerd, b. de verdachte is te beschouwen als een geadresseerde van de overtreden norm en c. de delictshandeling, die door een ander is uitgevoerd, kan aan de verdachte worden toegerekend.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de feitelijke leiding had over de dagelijkse gang van zaken bij het watersportbedrijf en dat zijn taak als leidinggevende meebracht dat hij ervoor diende te zorgen dat de medewerkers van het bedrijf de veiligheidsregels en andere wettelijke voorschriften in acht namen. Gelet hierop is voldaan aan voornoemde eisen voor functioneel daderschap.
Strafbaarheid van het onder 1 primair bewezen verklaarde
Artikel 4 lid Pro 1, aanhef en onder d, Watersportverordening luidt als volgt:
Onverminderd het bepaalde in artikel 3 is Pro het verboden waterskiërs achter een vaartuig aan te slepen of de waterskisport uit oefenen indien naast de schipper van de trekboot zich geen tweede persoon aan boord bevindt, met zijn gezicht gekeerd naar de waterskiër(s), welke persoon ermee belast is de schipper onverwijld te waarschuwen indien zich omstandigheden voordoen, die gevaar of moeilijkheden opleveren of kunnen opleveren.
In dit geval zijn de bestanddelen "waterskiërs" en "waterskiër(s)" uit deze delictsomschrijving niet vervuld. De personen op het watersportobject, aangeduid met "banaan/tube" kunnen niet als waterskiërs worden aangemerkt. Een uitleg van artikel 4 lid Pro 1, aanhef en onder d, Watersportverordening waarbij personen op een banaan/tube als waterskiërs zouden worden aangemerkt, zou een uitleg naar analogie zijn. Bij de uitleg van delictsomschrijvingen is daarvoor geen plaats in het strafrecht.
Het bewezenverklaarde valt ook niet onder enige andere wettelijke delictsomschrijving. Het bewezenverklaarde is dus niet strafbaar. Ter zake daarvan dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde
Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegd, met dien verstande dat:
1. hij, op
of omstreeks21 juli 2015 te Sint Maarten, op
of ineen openbaar water, zich zodanig heeft gedragen dat de veiligheid op/in het openbaar water in gevaar is gebracht, immers heeft hij, een banaan/tube,
althans een waterski-objectmet daarop één of meer personen laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was;
2. hij, op
of omstreeks21 juli 2015 te Sint Maarten, [betrokkene],
althans een ander,in de uitvoering van het bedrijf waar hij als verdachte op dat moment leiding gaf, heeft laten optreden als schipper van een waterscooter,
althans een vaartuig, zonder in het bezit te zijn van een door de havenbeheerder afgegeven geldig bewijs van bekwaamheid.
Het Hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde
Indien tegen dit verkorte vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op het vonnis.
Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde
Anders dan de procureur-generaal heeft aangevoerd, is ook ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde voldaan aan de eisen die worden gesteld aan functioneel daderschap.
Het Hof leest het onder 2 bewezen verklaarde aldus, dat het niet inhoudt dat de verdachte niet in het bezit was van een bewijs van bekwaamheid, maar dat [betrokkene] die als schipper optrad, niet in het bezit daarvan was. Kennelijk heeft ook de verdachte het zo begrepen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 6 lid 1 van Pro de Watersportverordening Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een aan artikel 6 lid 1 van Pro de Watersportverordening voorafgaande verbodsbepaling.
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 33 lid 1 van Pro de Binnenvaartverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een bepaling van de Binnenvaartverordening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten uitsluiten. Deze feiten zijn dus strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde.
Oplegging van straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft als leidinggevende van een watersportbedrijf toegestaan dat in zijn bedrijf een watersportobject, aangeduid als "banaan/tube", met zes personen erop werd voortgetrokken door een waterscooter, terwijl op die waterscooter slechts één persoon aanwezig was, die de waterscooter bestuurde. Er was geen tweede persoon op de waterscooter aanwezig (een "uitkijker") die in de gaten kon houden of alles goed ging met de personen op de banaan/tube. De bestuurder van de waterscooter was ook niet in het bezit van een geldig vaarbewijs. Dit levert een gevaarlijke situatie op. Het is terecht dat daartegen wordt opgetreden.
Ter zitting is gebleken dat de verdachte een boete van NAf 425,00, die was opgelegd aan de bestuurder van de waterscooter ([betrokkene]), feitelijk voor zijn rekening heeft genomen. Ook heeft de verdachte er blijk van gegeven in te zien dat de bewezen verklaarde gedragingen een gevaarlijke situatie opleveren en dat hij als leidinggevende van het watersportbedrijf ervoor dient te zorgen dat een dergelijke situatie zich niet in zijn bedrijf voordoet. Gelet op dit een en ander is het Hof van oordeel dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

BESLISSING

Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 19 januari 2017 en doet opnieuw recht, als volgt:
verklaart bewezen dat de verdachte hetgeen onder 1 primair is tenlastegelegd, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde niet strafbaar;
ontslaat de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;
verklaart bewezen dat de verdachte hetgeen onder 1 subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. H. de Doelder, G.C.C. Lewin en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten mondeling uitgesproken op 15 november 2017 en op schrift gesteld op 17 januari 2018.