ECLI:NL:OGHACMB:2016:58
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling griffierechtnageving en rechtszekerheidsbeginsel in hoger beroep
In deze zaak draait het om de vraag of een naheffing van griffierecht in hoger beroep gegrond is, ondanks het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel. Het Hof heeft eerder bepaald dat een bedrag van Afl. 14.100,00 aan griffierecht nageheven wordt en uiterlijk op 1 maart 2016 betaald moest zijn.
Appellant voerde aan dat zij mocht vertrouwen op de juiste berekening van het griffierecht door de griffier en dat geen aanvullende heffing meer mogelijk was. Dit beroep faalde omdat appellant niet schriftelijk het financiële belang van de zaak had aangegeven bij de indiening van de akte van hoger beroep, wat in strijd is met art. 85 van Pro het Procesreglement.
Daarnaast wees het Hof op de Handleiding griffierecht waarin staat dat advocaten beter moeten weten dan de griffie en rekening moeten houden met een mogelijke naheffing. Appellant had een deelbedrag betaald onder protest en aangekondigd verzet te zullen instellen, maar het Hof kon niet vaststellen of een verzetprocedure was gestart. Daarom werd appellant opnieuw in de gelegenheid gesteld een akte uitlating griffierecht in te dienen, met een rolaanduiding ter bevordering van een voortvarende procesvoering.
Uitkomst: Het Hof oordeelt dat naheffing van griffierecht gegrond is en verwijst de zaak naar de rol voor nadere uitlatingen.