ECLI:NL:OGHACMB:2016:40

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
3 juni 2016
Publicatiedatum
21 juni 2016
Zaaknummer
HLAR 76231/15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 LTUArt. 9, eerste lid, onder a, LTU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering vergunning tijdelijk verblijf Sint Maarten

Appellant verbleef sinds augustus 2003 zonder geldige verblijfstitel in Sint Maarten. De minister weigerde hem een vergunning tot tijdelijk verblijf en verklaarde het bezwaar ongegrond. Het Gerecht in eerste aanleg bevestigde deze beslissing. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn brief van 3 april 2014 geen aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning bevatte, maar slechts een verzoek om assistentie.

Het Hof stelde vast dat appellant met de brief niet de vereiste documenten voor een aanvraag had overgelegd en dat de minister de brief ten onrechte als een aanvraag had aangemerkt. Hierdoor was de beschikking van 17 december 2014 onjuist en was het bezwaar niet-ontvankelijk.

Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van het Gerecht en de ministeriële beschikking, en verklaarde het beroep tegen die beschikking gegrond. Tevens veroordeelde het Hof de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en ministeriële beschikking vernietigd, en het beroep tegen de beschikking gegrond verklaard.

Uitspraak

HLAR 76231/15
Datum uitspraak: 3 juni 2016
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellant], appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 22 juni 2015 in zaak nr. LAR 13 van 2015 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie (hierna: de minister).

Procesverloop

Op 27 mei 2014 heeft de minister appellant bericht dat hij niet in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf.
Bij beschikking van 17 december 2014 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard
.
Bij uitspraak van 22 juni 2015 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2016, waar appellant bijgestaan door mr. B.B. Brooks, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, ook advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (hierna: de LTU) wordt, behalve de in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Sint Maarten toegelaten zonder vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de LTU, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.
2.
Bij brief van 3 april 2014 heeft appellant, voor zover thans van belang, de minister als volgt bericht: “(…) I took the opportunity to submit my documents within the Brooks Tower Accord (BTA) but was unsuccessful due to the fact that there was a problem with the staff at the BTA Departement, between this problem person’s who was awaiting to have their documents submitted had to wait for further notice but to no avail. (…) “Ever since I have been struggling very hard to obtain my resident permit to enable me to reside on Sint Maarten legally. I have no other alternative but to take the opportunity to submit this letter to your person for any assistance which can be given to me on obtaining my legal status. (…)”
3.
Appellant betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich bij de beschikking van 17 december 2014 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 3 april 2014 een eerste aanvraag om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijfsvergunning behelst. Volgens appellant bevat deze brief een verzoek om assistentie om hem een verblijfstitel toe te kennen, nu het hem onduidelijk was of de minister inmiddels op zijn BTA-aanvraag had beschikt. De brief kon bovendien geen aanvraag om verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning omvatten, omdat hij daarbij niet de voor het indienen van een aanvraag vereiste documenten heeft overgelegd, aldus appellant.
3.1
Dit betoogt slaagt. Niet in geschil is dat appellant sedert augustus 2003 zonder een geldige verblijfstitel in Sint Maarten verblijft. In de brief van 3 april 2014 heeft appellant zijn situatie omschreven en de minister om hulp verzocht ter verkrijging van een verblijfstitel. Voorts heeft appellant ter zitting bij het Hof desgevraagd bevestigd dat hij met die brief niet heeft beoogd om verlening van een vergunning tot verblijf te verzoeken. De minister heeft de brief van appellant van 3 april 2014 bij de beschikking van 17 december 2014 dan ook ten onrechte als een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf aangemerkt en het antwoord daarop ten onrechte als een beschikking waartegen bezwaar gemaakt kon worden.
4.
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 17 november 2014 vernietigen. Het Hof ziet voorts aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.
5.
De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
verklaarthet hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 22 juni 2015 in de zaak nr. Lar 13 van 2015;
III.
verklaarthet bij het Gerecht tegen de beschikking van de minister van Justitie van 17 december 2014 ingestelde beroep gegrond;
IV.
vernietigtdie beschikking;
VI.
verklaarthet gemaakte bezwaar
niet-ontvankelijk;
VII.
veroordeeltde minister van Justitie tot vergoeding aan appellant van de bij deze in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf 2.800,00 (zegge: tweeduizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.
verstaatdat de griffier aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van NAf 300,- (zegge: driehonderd gulden)
terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Jussen, griffier.
w.g. Van der Poel
voorzitter
w.g. Jussen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,