ECLI:NL:OGHACMB:2016:181

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 december 2016
Publicatiedatum
29 augustus 2017
Zaaknummer
HLAR 79833/16 en 79834/16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, tweede lid, Landsverordening administratieve rechtspraakBouw- en woningverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-beslissing op bezwaarschriften bouwvergunning en lastgeving

Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen beschikkingen van 22 mei 2015 waarbij de minister een bouwvergunning heeft geweigerd en een last heeft opgelegd om een gebouw te verwijderen. Tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaarschriften hebben zij beroep ingesteld, dat door het Gerecht deels werd toegewezen voor appellante, maar niet voor appellant persoonlijk.

Appellant stelde dat het Gerecht ten onrechte geen uitspraak had gedaan op zijn ingestelde beroepen en dat de fictieve afwijzende beschikkingen vernietigd moesten worden. Het Hof oordeelde dat appellant ook op persoonlijke titel bezwaar had gemaakt en dat het Gerecht onterecht niet op zijn beroepen had beslist.

Het Hof verwierp de klacht dat de directeur van de Dienst Openbare Werken als verweerder had moeten worden aangemerkt, omdat de beschikkingen door de minister waren genomen. Het Hof vernietigde de uitspraken van het Gerecht voor zover het Gerecht niet op de beroepen van appellant had beslist, verklaarde die beroepen gegrond, vernietigde de fictieve afwijzende beschikkingen en bepaalde dat de minister binnen vier weken na verzending van het arrest een beslissing moet nemen op de bezwaarschriften van appellant.

Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraken van het Gerecht voor nalaten te beslissen en beveelt de minister binnen vier weken te beslissen op de bezwaarschriften van appellant.

Uitspraak

HLAR 79833/16 en 79834/16
Datum uitspraak: 7 december 2016
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. gevestigd in Aruba,
appellante, en
2. […], wonend in Aruba, appellant,
(hierna gezamenlijk: appellanten)
tegen de onderscheiden uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 20 juni 2016 in zaken nrs. 2638 en 2639 van 2015 in de gedingen tussen:
appellante
en
de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie.
Procesverloop
Bij onderscheiden beschikkingen van 22 mei 2015 heeft de minister een aanvraag van appellant om verlening van een bouwvergunning afgewezen en appellant gelast om het gebouwde restaurant te J.E. Irausquin Boulevard 382-A binnen zes maanden na dagtekening van de beschikking op kosten van appellant te doen wegnemen.
Appellanten hebben tegen deze beschikkingen bezwaarschriften ingediend.
Appellanten hebben tegen het uitblijven van beschikkingen op hun bezwaarschriften, dat op de voet van artikel 9, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt gelijkgesteld met afwijzende beschikkingen, beroep ingesteld.
Bij onderscheiden uitspraken van 20 juni 2016 heeft het Gerecht de door appellante ingestelde beroepen gegrond verklaard, de fictieve afwijzende beschikkingen op de door appellante ingediende bezwaarschriften vernietigd en bepaald dat de minister binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraken een reële beslissing op de door appellante ingediende bezwaarschriften moet nemen.
Tegen deze uitspraken hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2016, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. E.R. Zeppenfelt, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
Appellant klaagt dat het Gerecht ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan op de door hem ingestelde beroepen en ten onrechte de fictieve afwijzende beschikkingen op zijn bezwaarschriften niet heeft vernietigd.
1.1. In de bezwaar- en beroepschriften is vermeld dat appellant bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld 'pro se en in de hoedanigheid van directeur van [appellante]'. Hieruit blijkt dat appellant ook op persoonlijke titel bezwaar heeft gemaakt tegen de onderscheiden beschikkingen van 22 mei 2015 en beroep heeft ingesteld tegen de fictieve afwijzende beschikkingen op de door hem ingediende bezwaarschriften. Het Gerecht heeft ten onrechte geen uitspraak gedaan op de door appellant ingestelde beroepen.
De klacht slaagt.
2. Appellanten klagen ten onrechte dat het Gerecht de directeur van de Dienst Openbare Werken ten onrechte niet heeft aangemerkt als verweerder in beroep, nu de onderscheiden beschikkingen van 22 mei 2015 door hem zijn genomen. In de beschikking waarbij de aanvraag om verlening van de bouwvergunning is afgewezen, is vermeld dat de minister heeft besloten de bouwvergunning te weigeren. In de beschikking waarbij de last is opgelegd is vermeld dat de minister ingevolge de Bouw- en woningverordening bevoegd is op kosten van appellant het gebouwde te doen wegnemen. Voorts is deze beschikking namens de minister ondertekend. Hieruit blijkt dat de onderscheiden beschikkingen door de minister zijn genomen. Dat de beschikkingen zijn ondertekend door de directeur van Dienst Openbare Werken betekent onder deze omstandigheden niet dat de beschikkingen door die directeur zijn genomen en hij daarom op de bezwaarschriften had moeten beslissen.
Deze klacht faalt.
3. Voorts vermelden appellanten in de onderscheiden hogerberoepschriften dat al hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Het is aan appellanten om in hun hogerberoepschriften te vermelden waarom zij zich niet kunnen vinden in de aangevallen uitspraken. Het in algemene zin herhalen en inlassen van al hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraken onjuist zijn. Derhalve ziet het Hof hierin geen aanleiding om die uitspraken te vernietigen.
4. Het hoger beroep van appellant is gegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd, voor zover het Gerecht daarbij heeft nagelaten op de door appellant ingestelde beroepen te beslissen. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof de beroepen van appellant gegrond verklaren, de fictieve afwijzende beschikkingen op zijn bezwaarschriften vernietigen en bepalen dat de minister binnen vier weken na verzending van deze uitspraak beschikkingen dient te nemen op de door appellant ingediende bezwaarschriften.
5. Het hoger beroep van appellante is ongegrond.
6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
7.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
verklaarthet hoger beroep van de [appellante]
ongegrond;
II.
verklaarthet hoger beroep van [appellant]
gegrond;
III.
vernietigtde uitspraken van het Gerecht van in eerste aanleg van Aruba van 20 juni 2016 in zaken nrs. 2638 en 2639 van 2015, voor zover het Gerecht daarbij heeft nagelaten op de door [appellant] ingestelde beroepen te beslissen;
IV.
verklaartde in die zaken door [appellant] ingestelde beroepen
gegrond;
V.
vernietigtde fictieve afwijzende beschikkingen op de door [appellant] ingediende bezwaarschriften;
VI.
bepaaltdat de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie binnen vier weken na verzending van deze uitspraak beschikkingen neemt op de door [appellant] ingediende bezwaarschriften;
VII.
veroordeeltde minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 2.800,-- (zegge: twee duizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.
gelastdat de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie aan […] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,-- (zegge: honderd gulden) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Van der Poel
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016
Verzonden: 7 december 2016