Uitspraak
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Deze zaak betreft het hoger beroep van [appellant] tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg (GEA) van Bonaire over de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van haar huwelijk met [ex man geïntimeerde 1]. Het GEA had haar vordering afgewezen omdat haar medegerechtigdheid tot de nalatenschap niet was komen vast te staan.
Het Hof constateert dat het GEA ten onrechte heeft geoordeeld dat het huwelijk onder algemene gemeenschap van goederen moest zijn gesloten om [appellant] als medegerechtigde te erkennen. Het Hof stelt dat dit niet vereist is zolang er geen sprake is van scheiding van tafel en bed of andere uitsluitingsgronden. Daarom vernietigt het Hof het vonnis en wijst de zaak terug naar het GEA voor voortzetting van de procedure.
Het Hof benadrukt dat bij de voortzetting ook [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3], de kinderen van [ex man], opnieuw moeten worden opgeroepen en in de gelegenheid moeten worden gesteld om te reageren op de standpunten van [appellant]. Dit om het beginsel van hoor en wederhoor te waarborgen. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek van [geïntimeerde 1] om kosteloos te procederen wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van onvermogen.
Uitkomst: Het Hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar het GEA voor verdere behandeling met oproeping van alle erfgenamen.