ECLI:NL:OGHACMB:2014:34

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 augustus 2014
Publicatiedatum
11 september 2014
Zaaknummer
A-49 van 2014
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
  • W.J. Noordhuizen
  • H. Mol
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige hechtenis wegens autodiefstal en geschokte rechtsorde in Aruba

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het bevel tot gevangenhouding van 30 juli 2014, dat was bevolen vanwege autodiefstal. Verdachte betoogde dat hij werkloos is, geen inkomen heeft en zich heeft aangemeld voor een sociaal vormingstraject, en verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis.

De procureur-generaal stelde dat er ernstige bezwaren tegen verdachte zijn en dat de wettelijke gronden voor gevangenhouding, waaronder recidive en de 6-jaarsgrond, onverminderd van kracht zijn. Het Hof nam kennis van de dossierstukken en oordeelde dat de gronden voor gevangenhouding blijven bestaan, mede omdat autodiefstal volgens de Arubaanse wetgever een ernstig feit is.

Het Hof benadrukte dat de Arubaanse samenleving zwaar wordt getroffen door aanhoudende autodiefstallen en dat het onbegrijpelijk zou zijn als verdachte zijn berechting in vrijheid zou mogen afwachten. Het beroep van verdachte op artikel 101, derde lid, Wetboek van Strafvordering, werd verworpen en ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Het Hof bevestigt het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte wegens autodiefstal en wijst het beroep en schorsingsverzoek af.

Uitspraak

Beschikking nr. A-49 van 2014
Datum beschikking: 13 augustus 2014
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA,
CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE,
SINT EUSTATIUS EN SABA
BESCHIKKING
gegeven in het hoger beroep zijdens de verdachte, ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris in het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, van 30 juli 2014,
in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren in Aruba op [datum] 1992, wonende in Aruba,
thans gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba.

1.HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK

1.1
Deze beschikking is gegeven naar aanleiding van de behandeling van het beroep in raadkamer op 13 augustus 2014. Verschenen zijn de (fgd) procureur-generaal, E. Baars, de verdachte en de raadsman van de verdachte mr. H.G. Figaroa.
1.2
Het Hof heeft kennis genomen van hetgeen de verdachte, diens raadsman en de procureur-generaal naar voren hebben gebracht.

2.DE FEITEN

2.1
Bij beschikking van 30 juli 2014 heeft de rechter-commissaris de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van zestig dagen bevolen, waarvan de tenuitvoerlegging is aangevangen op 2 augustus 2014.
2.2
De verdachte is tijdig bij akte, op 1 augustus 2014 ter griffie ingekomen, van die beslissing in hoger beroep gekomen.

3.DE GRONDEN VAN HET BEROEP

3.1
De verdachte heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij thans werkloos is en geen inkomen geniet. De verdachte heeft verder aangevoerd dat hij zich heeft aangemeld voor het Sociale Vormingstraject bij de Marinierskazerne, maar dat hij nog niet is opgeroepen. De verdachte heeft het Hof om een kans verzocht, zodat hij zijn leven kan verbeteren.
3.2
De raadsman van verdachte heeft een beroep gedaan op artikel 101, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en heeft het Hof gelet op voormelde – zakelijk weergegeven – verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
3.3
De procureur-generaal heeft betoogd dat uit de zich in het dossier bevindende processtukken blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en dat de 6-jaarsgrond en de recidivegrond die tot het bevel tot gevangenhouding hebben geleid nog onverkort aanwezig zijn. De procureur-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van Hof ten aanzien van de grond van de geschokte rechtsorde.
De procureur-generaal is van mening dat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4.DE BEOORDELING

4.1
Gezien de stukken van het dossier en op grond van de in raadkamer verkregen inlichtingen is het Hof van oordeel dat de bezwaren en gronden die tot het bevel tot gevangenhouding hebben geleid nog altijd bestaan, nu er voldoende aanwijzingen bestaan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten feit.
4.2
Wat betreft de grond van de ernstig geschokte rechtsorde wordt meer in het bijzonder het volgende overwogen. De Arubaanse wetgever heeft onlangs de strafmaat op het aan verdachte verweten feit in aanzienlijke mate verhoogd. Daarmee heeft die wetgever naar het oordeel van het Hof tot uitdrukking gebracht dat sprake is van een ernstig feit. Daar komt bij het algemeen bekende gegeven dat de Arubaanse samenleving gebukt gaat onder en daarom terecht klaagt over onder meer alsmaar aanhoudende autodiefstallen. Tegen deze achtergrond zal het voor de Arubaanse samenleving onbegrijpelijk zijn indien verdachte zijn berechting in vrijheid mag afwachten.
4.3
Het Hof is van oordeel dat zich thans niet een situatie voordoet als bedoeld in artikel 101, derde lid, Sv, met name gelet op de recidivegrond. Het beroep van verdachte op dit artikel slaagt niet.
4.4
Voor zover door de verdachte een schorsingsverzoek is gedaan, oordeelt het Hof de belangen die ten grondslag liggen aan de gevangenhouding van verdachte zwaarwegender dan het belang van de verdachte bij schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Het verzoek van verdachte tot schorsing van zijn voorlopige hechtenis dient daarom te worden afgewezen.

5.DE BESLISSING

Het Hof:
verklaart het beroep ongegrond;
bevestigt de bestreden beschikking;
wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.M. van de Leur, W.J. Noordhuizen en H. Mol, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 13 augustus 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.