Uitspraak
HET LAND CURAҪAO
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant vordert schadevergoeding wegens geweld dat politieambtenaren jegens hem zouden hebben gebruikt bij de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen, zoals staande houding en aanhouding. Hij stelt dat het geweld disproportioneel was en kwalificeert dit als grove mishandeling of foltering.
Het Gerecht in eerste aanleg (GEA) oordeelde dat de civiele rechter niet-ontvankelijk is in deze vordering omdat artikel 182 Sv Pro bepaalt dat alleen de strafrechter bevoegd is voor dergelijke verzoeken. Het Hof bevestigt deze uitleg en benadrukt dat de strafrechter de beoordeling moet doen over de proportionaliteit van het geweld en de toekenning van schadevergoeding.
Appellant voert aan dat hij geen effectief rechtsmiddel heeft omdat hij in de strafprocedure niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn schadevordering, terwijl de betrokken politieambtenaar werd vrijgesproken. Het Hof wijst dit betoog af, omdat uit de procedure blijkt dat appellant wel degelijk gebruik heeft gemaakt van de strafrechtelijke rechtsgang.
Het hoger beroep wordt daarom verworpen. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, terwijl hem kosteloos procederen wordt toegestaan vanwege onvermogen.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat alleen de strafrechter bevoegd is voor schadevergoedingsverzoeken wegens strafvorderlijke dwangmiddelen en wijst het hoger beroep van appellant af.