ECLI:NL:OGHACMB:2013:77

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
29 maart 2016
Zaaknummer
HAR 56/13 en 57/13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 123 lid 1 StaatsregelingArt. 2 Landsverordening vervolging politieke gezagsdragersArt. 379 SrArt. 146 SrArt. 36 Staatsregeling
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing huiszoeking bij parlementariër wegens ontbrekend bevel tot vervolging

Het openbaar ministerie stelde op 9 en 10 maart 2013 vorderingen tot huiszoeking bij de woning en kantoorruimtes van een onafhankelijk parlementslid te Sint Maarten, verdacht van deelname aan een criminele organisatie en overtreding van artikel 379 Sr Pro. De rechter-commissaris wees deze vorderingen af, waarna het OM hoger beroep instelde.

Het Hof onderzocht of voor het toestaan van huiszoekingen bij een politieke gezagsdrager een bevel tot vervolging vereist is, zoals voorgeschreven in artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling en artikel 2 van Pro de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers. Het Hof concludeerde dat het vorderen van huiszoekingen in deze context als een daad van vervolging moet worden beschouwd.

Omdat geen bevel tot vervolging was gegeven door het Hof, oordeelde het Gemeenschappelijk Hof dat de huiszoekingsvorderingen niet konden worden toegewezen. Het Hof wees het hoger beroep van het OM af en bevestigde daarmee de afwijzing van de rechter-commissaris. De uitspraak benadrukt de waarborgen die gelden voor vervolging van politieke gezagsdragers, gezien de mogelijke gevolgen voor hun ambt.

Uitkomst: Het hoger beroep van het openbaar ministerie wordt afgewezen wegens het ontbreken van een bevel tot vervolging.

Uitspraak

Strafzaken over 2013
Datum beschikking: 15 maart 2013
Nummers HAR 56/13 en 57/13
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN
VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
B E S C H I K K I N G
gegeven in het hoger beroep zijdens het openbaar ministerie ingesteld tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 9 maart 2013 en 10 maart 2013, in de zaak van:
[verdachte],
geboren op [datum] 1965,
wonende [adres] te Pointe Blanche, Sint Maarten.

1.Het onderzoek van de zaak

1.1.
Deze beschikking is gegeven naar aanleiding van de behandeling van het hoger beroep tegen voormelde beschikkingen in raadkamer op 14 maart 2013 te Curaçao. Verschenen is de (waarnemend) procureur-generaal, mr. T.H.W. Stein.
1.2.
Het Hof heeft kennis genomen van hetgeen de procureur-generaal naar voren heeft gebracht.

2.De feiten

2.1.
Op 9 maart 2013 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris huiszoeking ter inbeslagneming zal doen in de zaak tegen de verdachte [verdachte] voornoemd. Uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat de huiszoeking dient te strekken tot inbeslagneming van voorwerpen in de woning/panden gelegen te:
[adres 1]
Ministerie van Justitie, IND [verdachte] Road 8, 8a e/o alwaar de IND is gehuisvest
[adres 2]
[adres 3].
2.2.
Bij beschikking van 9 maart 2013 heeft de rechter-commissaris deze vordering afgewezen. Op 11 maart 2013 heeft de rechter-commissaris deze beschikking nader schriftelijk gemotiveerd.
2.3.
Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld bij
beroepschrift/memorie van grievenvan 12 maart 2013. Het beroepschrift strekt ertoe dat het Hof voormelde beschikking van 9 maart 2013 van de rechter-commissaris zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bepalen zoals gevorderd door de officier van justitie.
2.4.
Op 10 maart 2013 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris huiszoeking ter inbeslagneming zal doen in de zaak tegen de verdachte [verdachte] voornoemd. Uit de vordering en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat de huiszoeking dient te strekken tot inbeslagneming van voorwerpen in de woning/panden gelegen te:
Kantoor ruimte van de onafhankelijke parlementariër [verdachte], gehuisvest in het parlementsgebouw op Sint Maarten aan de Wilhelminasteeg in Philipsburg;
Fractiekamer van de onafhankelijke parlementariër [verdachte], gehuisvest in het parlementsgebouw op Sint Maarten aan de Wilhelminasteeg in Philipsburg.
2.5
Bij beschikking van 10 maart 2013 heeft de rechter-commissaris deze vordering afgewezen. Op 13 maart 2013 heeft de rechter-commissaris deze beschikking nader schriftelijk gemotiveerd.
2.6
Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld bij
beroepschrift/memorie van grievenvan 13 maart 2013. Het beroepschrift strekt ertoe dat het Hof voormelde beschikking van 10 maart 2013 van de rechter-commissaris zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bepalen zoals gevorderd door de officier van justitie.

3.Ontvankelijkheid

Zowel het beroep onder 2.3 als het beroep onder 2.6 is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de officier van justitie daarin kan worden ontvangen.

4.De gronden

Voor de gronden van het beroep verwijst het Hof naar de onderscheidenlijke beroepschriften.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de stukken en de in raadkamer verkregen inlichtingen blijkt dat [verdachte] ervan wordt verdacht dat hij het misdrijf van artikel 379 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft (mede) gepleegd en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 146 Sr Pro. [verdachte] is (onafhankelijk) Statenlid te Sint Maarten.
5.2.
Ingevolge artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling geschiedt vervolging van een minister of een lid van de Staten wegens het begaan van een misdrijf door de procureur-generaal of een door hem aan te wijzen ander lid van het openbaar ministerie, na bevel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, op vordering van de procureur-generaal. De procedure is geregeld in de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers. In artikel 2 van Pro deze Landsverordening is bepaald dat vervolging van een van misdrijf verdachte politieke gezagsdrager slechts plaatsvindt na een bevel tot vervolging van het Hof, op vordering van de procureur-generaal.
5.3.
In dit geval is geen bevel tot vervolging gevorderd door de procureur-generaal en gegeven door het Hof. Ter beoordeling staat of een bevel tot vervolging tegen [verdachte] vereist is om de onderhavige vorderingen tot het doen van huiszoekingen toe te wijzen. De vraag is of deze huiszoekingen vallen onder het begrip ‘vervolging’ in de zin van artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling en artikel 2 van Pro de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
5.4
Gelet op de memories van toelichting beoogt de onderhavige regeling waarborgen te bieden dat de beslissing om tot vervolging van een politieke gezagsdrager over te gaan, zorgvuldig wordt genomen. Daartoe is bepaald dat vervolging enkel door de procureur-generaal (of een door deze speciaal aangewezen persoon) kan worden ingezet. Als verdere waarborg is opgenomen dat de beslissing van de procureur-generaal niet tot stand kan komen, dan nadat het Hof hiermee heeft ingestemd. Blijkens de memories is deze regeling ingegeven door de aanzienlijke gevolgen van een strafrechtelijke vervolging van een minister of een lid van de Staten wegens bepaalde misdrijven, bepaald in artikel 36 en Pro 50 van de Staatsregeling. In de memorie van toelichting bij artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling is in dit verband vermeld dat niet alleen de minister bij het toepassen van voorlopige hechtenis of na een veroordeling wordt geschorst als minister, maar bij een eventuele onherroepelijke veroordeling bovendien van rechtswege wordt ontheven uit zijn functie.
5.5.
In de memorie van toelichting bij artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling is opgenomen dat ‘vervolging dient te worden opgevat als het door het openbaar ministerie betrekken van een strafrechter in de strafzaak’ en in de memorie van toelichting bij artikel 2 van Pro de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers dat ‘onder vervolging is te verstaan het door het openbaar ministerie betrekken van de rechter in de zaak’. Als bekende ‘daden’ van vervolging noemt laatstgenoemde memorie het vorderen van voorlopige hechtenis, het dagvaarden van de verdachte en het vorderen van een gerechtelijk onderzoek. Deze memorie vervolgt met: ‘A contrario betekent dit dat voor het opsporingsonderzoek in verband met een verdenking van een politieke gezagsdrager wegens misdrijf, geen vervolgingsbevel wordt vereist. Aan een dergelijk onderzoek verbindt de Staatsregeling niet van rechtswege de schorsing of ontslag uit het ambt’.
5.6.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het Hof niet slechts sprake van vervolging in de zin van artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling en artikel 2 van Pro de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers bij het vorderen van voorlopige hechtenis, aan de toepassing waarvan artikel 36 en Pro 50 van de Staatsregeling vergaande gevolgen verbinden, het dagvaarden van de verdachte en het vorderen van een gerechtelijk onderzoek. Voorts heeft de definitie van vervolging uit de doctrine, die in de memories is weergegeven, in dit verband onvoldoende onderscheidend vermogen. Dwangmiddelen zoals de telefoontap en de doorzoeking worden dikwijls in een vroeg stadium van het vooronderzoek ingezet, waarbij niet altijd duidelijk is tegen wie deze zijn gericht. Voor het opsporingsonderzoek wordt echter geen vervolgingsbevel vereist.
5.7.
Uit de stukken en de in raadkamer verkregen inlichtingen blijkt dat het openbaar ministerie bekend is met de persoon van de verdachte en zijn hoedanigheid van Statenlid en dat het openbaar ministerie de verdenking jegens de verdachte baseert op videobeelden met geluid, waarvan de opname in diverse – lokale en Nederlandse – media is verschenen. Het in die omstandigheden vorderen dat de rechter-commissaris in de zaak van de verdachte huiszoekingen zal doen, beoordeelt het Hof als vervolging van de betrokken politieke gezagsdrager in de zin van artikel 123 lid 1 van Pro de Staatsregeling en artikel 2 van Pro de Landsverordening vervolging politieke gezagsdragers. Dat zou anders zijn in het geval dat enkel de machtiging van de rechter-commissaris wordt verzocht voor de inzet van opsporingsbevoegdheden, die naar hun aard en essentie heimelijk zijn en moeten blijven tijdens het opsporingsonderzoek.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep dient te worden afgewezen.
5.9.
Beslist wordt derhalve als volgt.

6.De beslissing

Het Hof:
wijst af het beroep.
Deze beschikking is gegeven op 15 maart 2013 te Curaçao door mrs. J.P. de Haan, H.J. van Kooten en J.P.C. van Dam van Isselt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de griffier.