ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7668
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ongegrond wegens te late aanvraag verlenging verblijfsvergunning en falen beroep vertrouwensbeginsel
De vreemdeling had een tijdelijke verblijfsvergunning die geldig was tot 3 november 2011. Hij diende op 29 februari 2012 een verzoek tot verlenging in, wat te laat was volgens de geldende instructies die een uiterste indieningstermijn van de laatste dag van de geldigheid van de vergunning hanteren, met een coulanceperiode van drie maanden na afloop. De minister wees het verzoek af omdat de vreemdeling na het verlopen van de vergunning in strijd met de regelgeving in het land verbleef.
De vreemdeling voerde aan dat de minister onjuist de termijn voor verlenging had toegepast en dat hij op grond van een interne e-mail van een sectordirecteur mocht vertrouwen op een verlenging van de indieningstermijn tot 29 februari 2012. Het hof oordeelde dat deze e-mail geen openbaar en bindend karakter had en dat de vreemdeling geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan deze mededeling. Daarnaast was er voldoende publieke informatie over de uiterste indieningsdatum.
Verder stelde de vreemdeling dat hij getuigen had willen horen om aan te tonen dat hij tijdig een verlengingsverzoek had ingediend, maar het hof vond deze getuigenverklaringen niet relevant omdat de feitelijke indieningsdatum niet ter discussie stond. Ook het beroep tegen de inbewaringstelling werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van belang, mede omdat er een voorlopige voorziening was getroffen waarbij de vreemdeling meldingsplichtig was in plaats van in bewaring gesteld.
Het hof bevestigde daarom de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens te late indiening van het verlengingsverzoek en het falen van het beroep op het vertrouwensbeginsel.