ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7654

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HLAR 56021/12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomstenArt. 7 Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomstenArt. 7A:1615s Burgerlijk Wetboek Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over berusting in beëindiging arbeidsovereenkomst en schadevergoeding

De werkneemster stelde bezwaar tegen de toestemming van de directeur om haar arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het Gerecht verklaarde haar bezwaar niet-ontvankelijk, waarna zij hoger beroep instelde. Het Hof oordeelde dat de werkneemster door het instellen van een vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging in feite heeft berust in de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst.

Volgens het Hof kon zij daardoor de nietigheid van de beëindiging niet meer inroepen, aangezien zij niet binnen de wettelijke termijn bezwaar had gemaakt. De directeur had de toestemming verleend voor de beëindiging, en de werkneemster had deze toestemming benut door de arbeidsovereenkomst te laten eindigen.

Het Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg en verklaarde het beroep van de werkneemster ongegrond. Tevens werd het betaalde griffierecht aan de werkneemster teruggegeven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De werkneemster heeft door het instellen van een schadevordering berust in de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst en kan de nietigheid daarvan niet meer inroepen.

Uitspraak

HLAR 56021/12
Datum uitspraak: 14 december 2012
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellante], wonend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 4 april 2012 in zaak nr. LAR 3007 van 2011 in het geding tussen:
appellante
en
de directeur van de directie Arbeid en Onderzoek.
1. Procesverloop
Bij beschikking van 23 november 2010 heeft de directeur van de directie Arbeid en Onderzoek (hierna: de directeur) aan George Drive Yourself Service N.V. (hierna: de werkgever) toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met appellante (hierna: de werkneemster) te beëindigen.
Bij beschikking van 26 oktober 2011 heeft de directeur het door de werkneemster daartegen gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2012 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het door de werkneemster daartegen ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de werkneemster bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 8 mei 2012, hoger beroep bij het Hof ingesteld.
De directeur heeft een verweerschrift ingediend.
De werkneemster heeft nadere stukken ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2012, waar de werkneemster in persoon, bijgestaan door mr. N.S. Gravestijn en mr. G.L. Griffith, beiden advocaat, en de directeur, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, werkzaam in dienst van het land, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De werkneemster betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat zij belang had bij het door haar ingestelde beroep.
2.1.1. Dat betoog slaagt. De bij het Gerecht bestreden beschikking strekte tot niet ontvankelijkverklaring van het door de werkneemster gemaakte bezwaar. Het belang bij het door haar ingestelde beroep was er in gelegen dat werd onderzocht of die beschikking rechtmatig was. Dat belang was voldoende om het beroep te ontvangen.
2.1.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu het Gerecht aan de door de werkneemster in beroep voorgedragen beroepsgronden niet is toegekomen, zal het Hof deze, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, beoordelen.
2.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten is het verboden de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van de directeur te beëindigen.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, zijn handelingen in strijd met dat verbod nietig.
Ingevolge het tweede lid kan de werknemer deze nietigheid gedurende zes maanden inroepen.
Ingevolge artikel 7A:1615s, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek van Aruba kan de rechter, indien één van de partijen de dienstbetrekking, al of niet met inachtneming van de voor de beëindiging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk doet eindigen, aan de wederpartij naar billijkheid een schadevergoeding toekennen.
2.3. De werkneemster betoogt dat de directeur, door het door haar gemaakte bezwaar niet ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat de werkgever de arbeidsovereenkomst nog niet had beëindigd, toen zij op 21 december 2010 bezwaar maakte tegen de beschikking van 23 november 2010.
2.3.1. Dat betoog faalt. Bij brief van 28 januari 2011 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werkneemster met gebruikmaking van de door de directeur bij de beschikking van 23 november 2010 verleende toestemming met ingang van 4 april 2011 beëindigd.
De werkneemster heeft de nietigheid van die beëindiging niet ingeroepen, maar op 1 oktober 2011 tegen de werkgever een vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging ingesteld.
Door het instellen van die vordering heeft zij in die beëindiging berust. Zij kon de nietigheid daarvan nadien niet meer inroepen. De directeur heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de werkneemster ten tijde van het geven van de beschikking op bezwaar geen belang had bij heroverweging van de inmiddels benutte toestemming.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 4 april 2012 in zaak nr. Lar 3007 van 2011;
III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. gelast dat het land Aruba aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden) teruggeeft.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.
w.g. Drop
voorzitter w.g. Isenia
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,